ECLI:NL:RBMAA:2011:BU3611
Rechtbank Maastricht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toekenning vervangende toestemming tot erkenning van het kind ondanks weigering DNA-onderzoek door moeder
In deze zaak staat de vraag centraal of de man vervangende toestemming kan krijgen om het minderjarige kind te erkennen, terwijl de moeder haar medewerking aan een door de rechtbank bevolen DNA-onderzoek weigert. De moeder had aan een ander toestemming gegeven tot erkenning, maar deze erkenning werd betwist omdat niet vaststond dat die ander de biologische verwekker was.
De rechtbank oordeelt dat de door de moeder overgelegde DNA-testen niet voldoen aan de wettelijke kwaliteitsnormen (ISO 17025) en dat zij bewust het risico heeft genomen dat deze testen onvoldoende bewijskracht hebben. De man wordt voorshands als verwekker beschouwd, mede omdat de moeder niet aannemelijk heeft gemaakt dat de ander de biologische vader is.
De belangen van het kind en de man wegen zwaarder dan de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind. Er is geen bewijs dat erkenning door de man de opvoedingssituatie schaadt. De rechtbank verleent daarom vervangende toestemming aan de man en verklaart de erkenning door de ander nietig. Tevens wordt de moeder veroordeeld in de kosten van het deskundigenbericht.
Uitkomst: De rechtbank verleent vervangende toestemming aan de man voor erkenning van het kind en verklaart de erkenning door een ander nietig.