ECLI:NL:RBMAA:2011:BU5588
Rechtbank Maastricht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring ontkenning vaderschap en gerechtelijke vaststelling biologisch vaderschap na overlijden vermeende vaders
De man verzoekt de rechtbank om het vaderschap van [B], zijn juridische vader, te ontkennen en het vaderschap van [C], die hem feitelijk heeft opgevoed, gerechtelijk vast te stellen. [B] en [C] zijn beide overleden. De man stelt dat hij pas na het overlijden van [C] bekend werd met het feit dat [B] vermoedelijk niet zijn biologische vader is, waardoor hij tijdig zijn verzoek heeft ingediend.
De rechtbank oordeelt dat de man ontvankelijk is, aangezien hij binnen de wettelijke termijn heeft gehandeld en het beroep op verjaring op grond van artikel 1:200 lid 6 BW Pro niet op hem van toepassing is. De rechtbank constateert dat de stellingen onvoldoende bewijs bevatten om het vaderschap van [B] te ontkennen en het vaderschap van [C] vast te stellen zonder nader bewijs.
Gezien het ontbreken van direct bewijs gelast de rechtbank DNA-onderzoek van de man, zijn halfbroer [D] en indien mogelijk van [C], waarbij de rechtbank gebruikmaakt van haar bevoegdheid op grond van artikel 194 Rv Pro. De procedure wordt aangehouden in afwachting van het deskundigenbericht. Partijen worden verplicht mee te werken en voorschotten te betalen voor het onderzoek.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het verzoek ontvankelijk en gelast DNA-onderzoek ter vaststelling van het biologische vaderschap, waarna verdere beslissing volgt.