ECLI:NL:RBMAA:2011:BU7197
Rechtbank Maastricht
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.F.W. Huinen
- T.A.J.M. Provaas
- E.J.M. Driessen
- Rechtspraak.nl
Berekening overlijdensschade na dubbele medische fout bij Academisch Ziekenhuis Maastricht
In deze zaak staat centraal de vraag hoe de overlijdensschade van de echtgenoot van verzoekster moet worden berekend na twee medische fouten door het Academisch Ziekenhuis Maastricht (AZM). De eerste fout in 1998 leidde tot arbeidsongeschiktheid en een WAO-uitkering, terwijl de tweede fout in 2006 fataal was. Het AZM erkende aansprakelijkheid voor beide fouten.
Verzoekster sloot in 2009 een vaststellingsovereenkomst met het AZM over de inkomensschade als gevolg van de eerste fout, waarbij het WAO-dagloon als uitgangspunt werd genomen. Het geschil betreft de juiste grondslag voor de overlijdensschade na de tweede fout: verzoekster wil het WAO-dagloon als basis, het AZM stelt dat het de WAO-uitkering moet zijn.
De rechtbank oordeelt dat noch het WAO-dagloon noch de WAO-uitkering als zodanig het juiste uitgangspunt is. De vaststellingsovereenkomst leidt ertoe dat de WAO-uitkering met terugwerkende kracht is verhoogd met een bedrag ter compensatie van verlies van arbeidsvermogen. Dit aangepaste inkomen ten tijde van overlijden vormt de juiste basis voor de overlijdensschade.
Verder wijst de rechtbank het verzoek tot vergoeding van kosten van de letselschadeadviseur af wegens overlap en onvoldoende specificatie, maar veroordeelt het AZM tot betaling van redelijke buitengerechtelijke kosten van de advocaat van verzoekster. Het verzoek tot toekenning van overlijdensschade op basis van het WAO-dagloon wordt afgewezen.
De uitspraak benadrukt dat de overlijdensschade los moet worden gezien van de eerdere inkomensschade en dat de vaststellingsovereenkomst slechts ziet op de periode tussen de eerste en tweede fout.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek af en bepaalt dat de overlijdensschade moet worden berekend op basis van het aangepaste inkomen ten tijde van overlijden.