ECLI:NL:RBMAA:2012:BV1700

Rechtbank Maastricht

Datum uitspraak
18 januari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
458305 OV VERZ 11-6803
Instantie
Rechtbank Maastricht
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:345 BWEG Verordening nr. 2201/2003Art. 8 EG Verordening 2201/2003Art. 9 EG Verordening 2201/2003Art. 10 EG Verordening 2201/2003
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bevoegdheid Nederlandse rechter bij verzoek machtiging minderjarige woonachtig in buitenland

Verzoekster, als wettelijke vertegenwoordiger van een minderjarige woonachtig in België, verzoekt de Nederlandse rechtbank om machtiging voor het aangaan van een vaststellingsovereenkomst ten behoeve van de minderjarige.

De rechtbank beoordeelt eerst haar bevoegdheid op grond van de EG Verordening nr. 2201/2003 (Brussel II bis). Volgens artikel 8 van Pro deze verordening is in zaken betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid de rechter van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft bevoegd, tenzij uitzonderingen uit artikel 9, 10 of 12 van toepassing zijn.

De rechtbank stelt vast dat het kind in België woont en dat geen uitzonderingen van toepassing zijn, omdat onvoldoende is gesteld dat het kind een nauwe band met Nederland heeft of dat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter uitdrukkelijk is aanvaard en gerechtvaardigd is door het belang van het kind.

Daarom verklaart de kantonrechter zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot machtiging voor de minderjarige woonachtig in België.

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT
Sector Kanton
Locatie Maastricht
Zaaknr: 458305 OV VERZ 11-6803
Typ.: DL
Beschikking van 18 januari 2012
op een verzoek van:
[naam verzoekster],
wonend te [woonplaats],
hierna te noemen: verzoekster,
gemachtigde: mr. R.M.J.T. van Dort te Maastricht,
in haar hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van de minderjarige:
[naam minderjarige],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
wonend te [woonplaats],
hierna te noemen: minderjarige.
procedure
Verzoekster heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend, dat ter griffie is ingekomen op
29 december 2011.
verzoek
Verzoekster verzoekt als de wettelijke vertegenwoordiger van de minderjarige om machtiging om ten behoeve van de minderjarige een vaststellingsovereenkomst aan te gaan.
beoordeling
Verzoekster en de minderjarige wonen in België. Daarom dient allereerst beoordeeld te worden of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft.
Naar het oordeel van de kantonrechter behoren verzoeken als het onderhavige machtigingsverzoek tot de ”burgerlijke zaken betreffende de maatregelen ter bescherming van het kind die verband houden met het beheer of de instandhouding van dan wel de beschikking over het vermogen van het kind” als bedoeld in artikel 1 lid 2 sub e van Pro de EG Verordening nr. 2201/2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (Brussel II bis). Artikel 8 van Pro die Verordening verklaart in dergelijke zaken bevoegd de gerechten van de lidstaat waarop het kind zijn gewone verblijfplaats heeft (lid 1), onder voorbehoud van de artikelen 9, 10 en 12 van de Verordening (lid 2)
In dit geval is dus de Belgische rechter bevoegd, tenzij aanleiding bestaat voor een uitzondering op grond van art. 9, 10 of 12 van de Verordening. Een dergelijke aanleiding is er naar het oordeel van de kantonrechter niet.
Op grond van de enige in dit kader relevante uitzonderingsbepaling - artikel 12 lid 3 van Pro de Verordening, inzake de prorogatie van rechtsmacht - zou de Nederlandse rechter bevoegd zijn indien:
a. het kind een nauwe band met Nederland heeft, met name omdat een van de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft, of omdat het kind onderdaan van Nederland is, en
b. deze bevoegdheid op het tijdstip waarop de zaak aanhangig is gemaakt, uitdrukkelijk dan wel op enige andere ondubbelzinnige wijze is aanvaard door alle partijen bij de procedure en door het belang van het kind wordt gerechtvaardigd,
maar er is onvoldoende gesteld om te kunnen vaststellen dat de minderjarige (nog) de onder a. bedoelde nauwe band met Nederland heeft noch is gesteld of gebleken dat, en waarom, het bestaan van de bevoegdheid door het belang van de minderjarige wordt gerechtvaardigd. Naar het oordeel van de kantonrechter is in dit verband niet van belang dat, zoals de verzoekster stelt, de kwestie naar Nederlands recht is beoordeeld.
Het voorgaande betekent dat de kantonrechter zich onbevoegd zal verklaren.
beslissing
De kantonrechter verklaart zich onbevoegd van het verzoek kennis te nemen.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken door mr. F.J.F. Gerard, kantonrechter, in tegenwoordigheid van D.D. Lahaye, griffier.
Tegen deze beslissing kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch:
a. door verzoeker en degenen aan wie de griffier een afschrift van deze beschikking heeft
verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat deze
beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.