ECLI:NL:RBMAA:2012:BV1700
Rechtbank Maastricht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid Nederlandse rechter bij verzoek machtiging minderjarige woonachtig in buitenland
Verzoekster, als wettelijke vertegenwoordiger van een minderjarige woonachtig in België, verzoekt de Nederlandse rechtbank om machtiging voor het aangaan van een vaststellingsovereenkomst ten behoeve van de minderjarige.
De rechtbank beoordeelt eerst haar bevoegdheid op grond van de EG Verordening nr. 2201/2003 (Brussel II bis). Volgens artikel 8 van Pro deze verordening is in zaken betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid de rechter van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft bevoegd, tenzij uitzonderingen uit artikel 9, 10 of 12 van toepassing zijn.
De rechtbank stelt vast dat het kind in België woont en dat geen uitzonderingen van toepassing zijn, omdat onvoldoende is gesteld dat het kind een nauwe band met Nederland heeft of dat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter uitdrukkelijk is aanvaard en gerechtvaardigd is door het belang van het kind.
Daarom verklaart de kantonrechter zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot machtiging voor de minderjarige woonachtig in België.