ECLI:NL:RBMAA:2012:BW5222
Rechtbank Maastricht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing ondertoezichtstelling ongeboren vrucht wegens onvoldoende actuele bedreiging
De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank Maastricht om ondertoezichtstelling van een ongeboren vrucht vanwege zorgen over de opvoedingssituatie, veroorzaakt door verslavings- en persoonlijkheidsproblematiek van de (aanstaande) moeder. De moeder had zich vrijwillig laten behandelen en toonde positieve ontwikkelingen, maar de raad vond vrijwillige hulp onvoldoende.
De advocaat van de moeder voerde verweer dat het verzoek voorbarig was omdat de moeder positief samenwerkte met de hulpverlening binnen een vrijwillig kader. De rechtbank overwoog dat hoewel een ongeboren vrucht geen drager van rechten is, het kind vanaf de levensvatbaarheidsgrens bescherming geniet volgens artikel 1:2 BW Pro en artikel 1:254 BW Pro.
De rechtbank stelde vast dat de zwangerschap gecontroleerd en probleemloos verliep en dat de zorgen van de raad vooral op het verleden waren gebaseerd. De actuele situatie bood onvoldoende grond voor ondertoezichtstelling als ultimum remedium. Wel erkende de rechtbank dat de situatie fragiel bleef en dat voortzetting van vrijwillige hulpverlening noodzakelijk was.
Daarom wees de rechtbank het primaire verzoek af maar hield de beslissing aan voor zes maanden om de ontwikkeling van het kind en de rol van de vader nader te beoordelen. De raad werd opgedragen een aanvullend rapport te maken. De beschikking werd uitgesproken door kinderrechter F.L.G. Geisel op 13 april 2012.
Uitkomst: Het verzoek tot ondertoezichtstelling van de ongeboren vrucht wordt afgewezen, met aanhouding van de beslissing voor zes maanden.