ECLI:NL:RBMAA:2012:BX3190
Rechtbank Maastricht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank verklaart zich onbevoegd in omgangsregeling minderjarige na verhuizing naar Sint Maarten
Verzoekster, een grootmoeder woonachtig in Nederland, verzocht de rechtbank Maastricht om vaststelling van een omgangsregeling met haar kleinzoon, geboren in Nederland. De vader van de minderjarige, die sinds het overlijden van de moeder het gezag uitoefent, is met het kind verhuisd naar Sint Maarten, waar het kind sinds 3 januari 2012 duurzaam verblijft.
De rechtbank hield aanvankelijk de behandeling aan voor onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming, die echter niet kon rapporteren vanwege het verblijf van het kind op Sint Maarten. De vader stelde dat de Nederlandse rechter geen bevoegdheid meer heeft op grond van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961, aangezien de gewone verblijfplaats van het kind nu Sint Maarten is.
De grootmoeder betwistte dit en beriep zich op het perpetuatio fori-beginsel en het Brussels II bis-verdrag, stellende dat de Nederlandse rechter bevoegd blijft. De rechtbank oordeelde echter dat gezien de gewijzigde omstandigheden en het interregionale karakter van de zaak een uitzondering op het perpetuatio fori-beginsel moet worden gemaakt.
De rechtbank concludeerde dat de Nederlandse rechter niet langer de meest geschikte rechter is en verklaarde zich onbevoegd om kennis te nemen van de zaak. De beslissing kan door tussenkomst van een advocaat worden aangevochten bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om te beslissen over de omgangsregeling vanwege de duurzame verblijfplaats van de minderjarige op Sint Maarten.