ECLI:NL:RBMAA:2012:BY0692
Rechtbank Maastricht
- Eerste aanleg - meervoudig
- E.H.A.F.M. Krol
- M.C.A.E. van Binnebeke
- I. Becker-Hartenhof
- Rechtspraak.nl
Toewijzing verzoek opheffing schorsing voorwaardelijke invrijheidstelling wegens niet-onverwijlde indiening herroepingsvordering
Op 19 maart 2010 werd aan de veroordeelde een gevangenisstraf van 5 jaar en 5 maanden opgelegd. De voorwaardelijke invrijheidstelling werd op 26 januari 2012 verleend met een proeftijd van 619 dagen. Op 15 september 2012 werd de veroordeelde aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij een poging tot inbraak in kelderboxen. De officier van justitie diende op 18 september 2012 een vordering tot schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling in, welke werd toegewezen door de rechter-commissaris.
De officier van justitie diende de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling echter pas op 2 oktober 2012 in, veertien dagen na de beslissing tot schorsing. De rechtbank oordeelde dat dit niet voldoet aan het vereiste van 'onverwijld' zoals bedoeld in artikel 15i lid 2 Sr. De verdediging had aangevoerd dat de vordering tot herroeping gelijktijdig met de schorsingsvordering had moeten worden ingediend. De officier van justitie verwees naar een niet nader onderbouwd arrest van de Hoge Raad.
De rechtbank concludeerde dat de vertraging de belangen van de veroordeelde schaadt, omdat hij niet tijdig duidelijkheid kreeg over het voornemen tot herroeping. Daarom werd het verzoek tot opheffing van de schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling toegewezen en de schorsing opgeheven met ingang van de uitspraakdatum 19 oktober 2012.
Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van de schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt toegewezen en de schorsing wordt opgeheven.