ECLI:NL:RBMAA:2012:BZ5203

Rechtbank Maastricht

Datum uitspraak
28 november 2012
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
158953 / HA ZA 11-176
Instantie
Rechtbank Maastricht
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • E.P. van Unen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 152 lid 2 RvArt. 164 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen vergoeding van goodwill bij beëindiging maatschap psychotherapeuten

In deze civiele zaak stond de vraag centraal of goodwill onderdeel uitmaakt van het bij uittreding te vergoeden aandeel in het maatschapsvermogen van een psychotherapiepraktijk. De maatschap was door opzegging geëindigd waarna een van de vennoten de praktijk voortzette. De voortzetter werd geconfronteerd met een vordering tot vergoeding van goodwill door de uitgetreden vennoot.

De rechtbank verwees naar het tussenvonnis waarin was vastgesteld dat partijen niet hadden afgesproken deze vraag aan een bindend adviseur voor te leggen. Er werd een vermoeden aangenomen dat goodwill bij een 'people's business' zoals een psychotherapiepraktijk onderdeel is van het maatschapsvermogen. De voortzetter mocht echter tegenbewijs leveren.

Na uitgebreide enquête en contra-enquête, waarbij getuigen werden gehoord, oordeelde de rechtbank dat de voortzetter aannemelijk had gemaakt dat partijen bij het sluiten van het tweede maatschapscontract hadden afgesproken af te zien van vergoeding van goodwill. De verklaringen van getuigen ondersteunden dit en de enkele verklaring van de uitgetreden vennoot was onvoldoende om het vermoeden te handhaven.

De rechtbank wees daarom de vorderingen af en veroordeelde de uitgetreden vennoot in de proceskosten van de voortzetter. De zaak benadrukt het belang van duidelijke afspraken over goodwill in maatschapscontracten en de mogelijkheid tot tegenbewijs bij bewijsvermoedens.

Uitkomst: De vorderingen tot vergoeding van goodwill worden afgewezen en de uitgetreden vennoot wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK MAASTRICHT
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 158953 / HA ZA 11-176
Vonnis van 28 november 2012
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
eiser,
verder ook te noemen [eiser],
advocaat mr. H.A. Dragstra te Amersfoort,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde,
verder ook te noemen [ge[get[gedaagde],
advocaat mr. B.A.R. Janssen te Heerlen.
1. De verdere procedure
1.1 Het verloop van de procedure tot 24 augustus 2011 blijkt uit het tussenvonnis van die datum, waarin [ge[gedaagde] is toegelaten tot het leveren van tegenbewijs.
Daarna zijn de volgende stukken ingediend en proceshandelingen verricht:
- het verhoor in enquête van de getuigen [gedaagde], [getuige 2] en [getuige 3] op 18 januari 2012
- de akte uitlating contra-enquête van [eiser] van 15 februari 2012
- de brief van [eiser] van 21 mei 2012 met producties 11 t/m 23
- het verhoor in contra-enquête van de getuige [eiser] op 30 mei 2012
- de akte vermeerdering van eis van [eiser] van 11 juli 2012
- de conclusie na enquête van [ge[gedaagde] van 8 augustus 2012
- de conclusie na enquête van [eiser] van 3 oktober 2012.
1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.
2. De verdere beoordeling
2.1 De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 24 augustus 2012 reeds overwogen dat de primaire vordering zal worden afgewezen, bij welk oordeel de rechtbank blijft. De rechtbank laat de eisvermeerdering van [eiser] niet toe omdat deze, gelet op het stadium van de procedure waarin zij is voorgesteld, in strijd is met de eisen van een goede procesorde. De rechtbank dient nog slechts te oordelen over de subsidiaire vordering, met name over de vraag of [ge[gedaagde] erin is geslaagd tegenbewijs te leveren van - dat wil zeggen aannemelijk te maken dat onjuist is - het vermoeden dat van het door [ge[gedaagde] aan [eiser] te betalen maatschapsaandeel de goodwill onderdeel uitmaakt.
2.2 [ge[gedaagde] is in de zojuist herhaalde (tegen)bewijsopdracht geslaagd. Hij heeft zelf als getuige verklaard dat partijen bij het sluiten van het tweede maatschapscontract hebben afgesproken dat zij afzagen van de vergoeding van goodwill, zowel bij de inbreng in als bij het eventuele uiteengaan van de maatschap. Weliswaar is [ge[gedaagde] partij en is hij als getuige gehoord, maar hij is geen partijgetuige als bedoeld in art. 164 lid 2 Rv Pro, wiens verklaring omtrent een door hem te bewijzen feit geen bewijs in zijn voordeel oplevert. Hier moest immers tegenbewijs worden geleverd tegen een door de rechtbank opgesteld bewijsvermoeden, in welk geval de hoofdregel van art. 152 lid 2 Rv Pro - dat de rechter vrij is in de waardering van het bewijs - geldt. Ook indien aan uitsluitend de verklaring van [ge[gedaagde] geen geloof zou mogen worden gehecht omdat hij tevens partij is, en derhalve zijn verklaring slechts tot bewijs kan dienen wanneer zij wordt ondersteund door aanvullend bewijs dat zodanig sterk is en zodanig essentiële punten betreft dat het zijn verklaring geloofwaardig maakt, moet geoordeeld worden dat [ge[gedaagde] in de bewijsopdracht is geslaagd. De getuige [getuige 2] heeft destijds uit de bespreking van zijn opmerkingen op het eerste maatschapscontract begrepen - al weet hij niet zeker of ook [eiser] dit zo heeft begrepen - dat partijen het erover eens waren dat beider patiëntencontacten persoonsgebonden waren en bij eventueel uiteengaan zouden blijven, en derhalve niet in de vorm van goodwill tot het (bij uittreding te vergoeden) aandeel in het maatschapskapitaal behoorden. De getuige [getuige 3] heeft verklaard dat uit het niet opnemen van een bepaling daarover in het door hem opgestelde concept voor het tweede maatschapscontract, volgt dat partijen de verschuldigdheid van goodwill niet zijn overeengekomen. Niet overeenkomen iets te vergoeden betekent natuurlijk niet: overeenkomen iets niet te vergoeden, maar uit de verklaring van [getuige 3] volgt dat partijen dit laatste hebben beoogd. Anders was, door [getuige 3] op verzoek van (één van) partijen, in de definitieve versie van het tweede maatschapscontract toch een bepaling over de vergoeding van goodwill als onderdeel van het bij uittreden te vergoeden maatschapsaandeel opgenomen. De memo van [getuige 2] die [getuige 3] met partijen heeft besproken noemt immers ook dat onderwerp als “te regelen”.
2.3 Tegenover al dit tegenbewijs van de zijde van [ge[gedaagde] staat slechts de verklaring van [eiser]. Daaruit blijkt niet van (een door [eiser] op grond van uitlatingen van [ge[gedaagde] veronderstelde) wilsovereenstemming tussen partijen over de vergoeding door de voorzettende aan de uittredende vennoot van goodwill.
2.4 De vorderingen worden afgewezen met veroordeling van [eiser], als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van [ge[gedaagde], uitgezonderd de nakosten waarvan niet gemotiveerd is gesteld dat ze zullen worden gemaakt en dat ze reeds thans voor vergoeding in aanmerking dienen te komen
3. De beslissing
De rechtbank:
wijst de vorderingen af;
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [ge[gedaagde], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 250 aan verschotten en € 2.216 aan salaris advocaat, deze bedragen bij gebreke van tijdige betaling te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van verzuim.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. van Unen en in het openbaar uitgesproken op
28 november 2012.?