ECLI:NL:RBMAA:2012:BZ5203
Rechtbank Maastricht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- E.P. van Unen
- Rechtspraak.nl
Geen vergoeding van goodwill bij beëindiging maatschap psychotherapeuten
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of goodwill onderdeel uitmaakt van het bij uittreding te vergoeden aandeel in het maatschapsvermogen van een psychotherapiepraktijk. De maatschap was door opzegging geëindigd waarna een van de vennoten de praktijk voortzette. De voortzetter werd geconfronteerd met een vordering tot vergoeding van goodwill door de uitgetreden vennoot.
De rechtbank verwees naar het tussenvonnis waarin was vastgesteld dat partijen niet hadden afgesproken deze vraag aan een bindend adviseur voor te leggen. Er werd een vermoeden aangenomen dat goodwill bij een 'people's business' zoals een psychotherapiepraktijk onderdeel is van het maatschapsvermogen. De voortzetter mocht echter tegenbewijs leveren.
Na uitgebreide enquête en contra-enquête, waarbij getuigen werden gehoord, oordeelde de rechtbank dat de voortzetter aannemelijk had gemaakt dat partijen bij het sluiten van het tweede maatschapscontract hadden afgesproken af te zien van vergoeding van goodwill. De verklaringen van getuigen ondersteunden dit en de enkele verklaring van de uitgetreden vennoot was onvoldoende om het vermoeden te handhaven.
De rechtbank wees daarom de vorderingen af en veroordeelde de uitgetreden vennoot in de proceskosten van de voortzetter. De zaak benadrukt het belang van duidelijke afspraken over goodwill in maatschapscontracten en de mogelijkheid tot tegenbewijs bij bewijsvermoedens.
Uitkomst: De vorderingen tot vergoeding van goodwill worden afgewezen en de uitgetreden vennoot wordt veroordeeld in de proceskosten.