Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMID:1999:AA3988

Rechtbank Middelburg

Datum uitspraak
10 mei 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
Awb 98/638
Instantie
Rechtbank Middelburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • T. Damsteegt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 MandaatsbesluitArt. 10:3 lid 3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bevoegdheid GAK bij oplegging administratieve boetes en premie vaststelling

Eiser betwistte de bevoegdheid van het GAK (verweerder) tot het nemen van het besluit waarin werd vastgesteld dat eiser niet tijdig loonopgave had gedaan over 1996 en waarin administratieve boetes werden opgelegd. Eiser voerde aan dat het mandaatsbesluit waarop het GAK zich baseerde nietig was, omdat dit door de rechtsvoorganger van verweerder was genomen en niet was geconverteerd. Tevens stelde eiser dat het mandaatsbesluit vanwege vaagheden niet in stand kon blijven.

De rechtbank stelde vast dat het geschil zich beperkte tot de vraag of de beslissing op bezwaar bevoegd was genomen. Aangezien eiser zich met de inhoud van de beslissing op bezwaar kon verenigen en verweerder zich niet tegen de besluitvorming verzette, achtte de rechtbank beantwoording van de bevoegdheidsvraag niet noodzakelijk.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond. De uitspraak werd gedaan door mr. T. Damsteegt, in aanwezigheid van mr. M.K. Mol-Enklaar, griffier. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na verzending.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het besluit van het GAK blijft in stand.

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE MIDDELBURG
Enkelvoudige Kamer voor Bestuursgeschillen
Reg.nr.: Awb 98/638
Uitspraak inzake :
het College van burgemeester en wethouders der gemeente NoordBeveland te Wissenkerke (gemeente Noord-Beveland), eiser,
tegen
het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder (uitvoeringsinstelling: GAK Amsterdam).
1. Feiten en procesverloop.
Bij besluit van 18 november 1997 heeft verweerder bepaald dat eiser niet heeft voldaan aan zijn verplichting om tijdig loonopgave over het jaar 1996 te doen. Verweerder heeft in datzelfde besluit de verschuldigde premie ambtshalve vastgesteld, het niet tijdig inzenden van bedoelde gegevens als verzuim geregistreerd en de op te leggen boete kwijtgescholden tot 25% van de vastgestelde premie.
Bij besluiten van 18 november 1997, respectievelijk 17 december 1997 heeft verweerder aan eiser administratieve boetes opgelegd ter hoogte van 25, respectievelijk 50% van de door verweerder vastgestelde premie over het jaar 1996.
Eisers bezwaren daartegen zijn bij besluit van 7 oktober 1998 ongegrond verklaard.
Van dit besluit is eiser bij de rechtbank in beroep gekomen.
Het geschil is behandeld ter zitting van 6 mei 1999.
Eiser heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde J.L. van de Velde.
Verweerder is niet verschenen.
2. Gronden.
Eiser betwist, met een beroep op artikel 5 van Pro het Mandaatsbesluit, subsidiair artikel 10:3, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de bevoegdheid van het GAK tot het nemen van het bestreden besluit en is voorts van mening dat het mandaatsbesluit nietig is, omdat dat door verweerders rechtsvoorganger is genomen en het naar de mening van eiser niet kan zijn geconverteerd tot een mandaatsbesluit van verweerder.
Volgens eiser had verweerder een nieuw mandaatsbesluit moeten nemen. Ook heeft eiser nog aangevoerd dat het mandaatsbesluit vanwege vaagheden in de terminologie niet in stand kan blijven.
De rechtbank stelt vast dat het onderhavige geschil zich uitsluitend beperkt tot het antwoord op de vraag of de beslissing op bezwaar bevoegdelijk is genomen. Vaststaat dat eiser zich met de inhoud van beslissing op bezwaar geheel kan verenigen.
Gelet op die omstandigheid en gezien het feit dat blijkens de inhoud van het verweerschrift er voor verweerder geen aanleiding is om zich niet met de in geding zijnde besluitvorming te verenigen, is de rechtbank van oordeel dat de hiervoor opgeworpen vraag in dit geval geen beantwoording behoeft.
Het beroep van eiser moet dan ook ongegrond worden verklaard.
3. Uitspraak.
De Arrondissementsrechtbank te Middelburg,
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op 10 mei 1999 door mr. T. Damsteegt, in tegenwoordigheid van mr. M.K. Mol-Enklaar, griffier.
Afschrift verzonden op:
Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen. Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht, binnen zes weken na dagtekening van verzending van deze uitspraak.