ECLI:NL:RBMID:2001:AB1636
Rechtbank Middelburg
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Teruggeleiding minderjarige naar Griekenland op grond van Haags Kinderontvoeringsverdrag
De Centrale Autoriteit diende een verzoek in tot teruggeleiding van de minderjarige naar zijn gewone verblijfplaats in Griekenland, althans afgifte aan zijn vader, met een termijn tot 1 juli 2001 om het schooljaar af te sluiten. De moeder had zonder toestemming van de vader met het kind naar Nederland gereisd en weigerde vrijwillige terugkeer.
De moeder voerde aan dat het verzoek niet ontvankelijk was vanwege het ontbreken van vertalingen van bepaalde stukken, maar de kinderrechter oordeelde dat aan de vertaalvereisten van het Haags Verdrag was voldaan. Tevens stelde de moeder dat het handelen niet als ongeoorloofde achterhouding kon worden aangemerkt en dat terugkeer het kind aan gevaar zou blootstellen.
De kinderrechter stelde vast dat de overbrenging zonder instemming van de vader had plaatsgevonden en daarmee ongeoorloofd was. De door de moeder aangevoerde weigeringsgronden werden verworpen omdat onvoldoende aannemelijk was gemaakt dat het kind bij terugkeer gevaar zou lopen of ondragelijk zou lijden. De beschikking tot teruggeleiding werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte werd afgewezen.
Uitkomst: De minderjarige wordt teruggeleid naar Griekenland en afgegeven aan zijn vader vóór 1 juli 2001.