Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMID:2001:AB2872

Rechtbank Middelburg

Datum uitspraak
27 juli 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
Awb 01/350 VV
Instantie
Rechtbank Middelburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • T. Damsteegt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen schorsing deelname mentordag

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de centrale directie van de Stedelijke Scholengemeenschap Scheldemond om zijn dochter niet te laten deelnemen aan de jaarlijkse mentordag naar het pretpark Six Flags. Dit besluit is genomen op advies van de mentor vanwege het niet naleven van schoolregels en afspraken door de dochter.

De president van de rechtbank Middelburg heeft het verzoek om een voorlopige voorziening behandeld. Hij oordeelt dat het besluit een bestuursrechtelijk besluit is, maar dat de motivering onvoldoende is om direct een voorlopige voorziening te rechtvaardigen. Wel acht hij het mogelijk dat de motivering in de hoofdzaak kan worden verbeterd.

Verder is niet aannemelijk geworden dat het advies van de mentor en docenten onjuist is. Gezien de omstandigheden en het karakter van de maatregel als een interne schorsing, ziet de president geen aanleiding om de voorlopige voorziening toe te wijzen en wijst het verzoek af.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen en de dochter mag niet deelnemen aan de mentordag.

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE MIDDELBURG
PRESIDENT BESTUURSRECHT
Reg.nr.: Awb 01/350 VV
Uitspraak op het verzoek om toepassing van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (voorlopige voorziening) inzake :
(verzoeker)
wonende te (woonplaats),
gemachtigde mr. A.J.H. Neels, advocaat te Vlissingen,
tegen
de centrale directie van de Stedelijke Scholengemeenschap Scheldemond te Vlissingen, verweerder.
1. Procesverloop.
Bij besluit van 20 juni 2001 heeft verweerder besloten dat verzoekers dochter op 25 juni 2001 niet mag deelnemen aan de jaarlijkse mentordag waarvoor dit jaar een reis naar het pretpark “Six Flags” is georganiseerd.
Verzoeker heeft hiertegen een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Tevens heeft hij de president van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het verzoek is op 22 juni 2001 behandeld ter zitting. Verzoeker is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door vertegenwoordigers van de verweerder.
Overwegingen.
Ingevolge artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Voor zover daarbij de toetsing door de president meebrengt dat het geschil in de bodemproce-dure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de president daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.
Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder op dringend advies van de mentor van de dochter van verweerder besloten haar niet mee te laten gaan naar Six Flags omdat dit niet verantwoord zou zijn. Daartoe heeft verweerder gesteld dat de dochter zich niet of onvoldoende houdt aan schoolregels en aan met haar gemaakte afspraken. Met name sinds zij met ingang van het volgende schooljaar is toegelaten op een andere school is de grip van de docenten op haar verminderd.
Ter zitting heeft verweerder verklaard dat de maatregel gezien moet worden als een interne schorsing waarbij de betrokkene verplicht wordt individuele arbeid op school te verrichten.
Desgevraagd heeft verweerder verklaard dat de maatregel is genomen om het risico dat door de dochters houding en gedrag tijdens het reisje problemen zullen ontstaan te vermijden. Het betreft een maatregel van orde, aldus verweerder.
De president overweegt het volgende.
Allereerst stelt de president vast dat naar zijn voorlopig oordeel de in geding zijnde beslissing beschouwd moet worden als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb. De president is met verzoeker van oordeel dat in het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd dat de maatregel vanwege het door verweerder ter zitting omschreven risico is genomen. Naar voorlopig oordeel van de president zal dit gebrek in verweerders nog te nemen beslissing op het bezwaarschrift echter kunnen worden hersteld. In uitsluitend dit gebrek is naar het oordeel van de president geen rechtvaardiging te vinden voor het treffen van een voorlopige voorziening.
De president is verder van oordeel dat gelet op het verhandelde ter zitting niet aannemelijk is geworden dat het advies van de mentor alsmede van haar overige docenten om de dochter niet mee te nemen onjuist zou zijn.
Gelet op het voorgaande is de president voorshands dan ook van oordeel dat voor het treffen van een voorziening geen aanleiding is.
3. Uitspraak.
De president van de Arrondissementsrechtbank te Middelburg,
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2001
door mr. T. Damsteegt als president, in tegenwoordigheid van mr. W. Evenhuis als griffier.