ECLI:NL:RBMID:2001:AB3074
Rechtbank Middelburg
- Raadkamer
- W.P.M. ter Berg
- M.P. Meeuwisse
- D. Verboom
- Rechtspraak.nl
Bezwaarschrift tegen overschrijding vervolgingstermijn gegrond verklaard
Op 13 september 2000 werd de verdachte in verzekering gesteld op verdenking van medeplegen van meermalen gepleegde doodslag. Na voorlopige hechtenis tot 25 oktober 2000 verzocht de verdachte op 22 januari 2001 de rechtbank de strafzaak te beëindigen vanwege overschrijding van de vervolgingstermijn.
De rechtbank stelde op 16 februari 2001 een termijn van drie maanden aan de officier van justitie om de verdachte te dagvaarden. Deze termijn liep af op 17 mei 2001, maar de dagvaarding werd pas op 14 juni 2001 betekend, waardoor de vervolgingstermijn werd overschreden.
De verdachte stelde dat vervolging niet mogelijk is wegens artikel 255 lid 4 Sv Pro, terwijl de officier van justitie betoogde dat geen sprake is van overschrijding van een redelijke termijn en verzocht het bezwaarschrift ongegrond te verklaren.
De meervoudige raadkamer oordeelde dat de dagvaarding buiten de gestelde termijn is uitgebracht en dat het hoogst onaannemelijk is dat de rechter de officier van justitie ontvankelijk zal verklaren. De dagvaarding werd als lichtvaardig beoordeeld en het bezwaarschrift werd gegrond verklaard. De rechtbank maakte geen gebruik van de bevoegdheid om de verdachte buiten vervolging te stellen.
Uitkomst: Het bezwaarschrift tegen de dagvaarding wegens overschrijding van de vervolgingstermijn is gegrond verklaard, maar de verdachte wordt niet buiten vervolging gesteld.