ECLI:NL:RBMID:2001:AB3084

Rechtbank Middelburg

Datum uitspraak
30 mei 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
Awb 01/298
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • T. Damsteegt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 8:81 AwbArt. 11 Monumentenwet 1988Art. 16 Monumentenwet 1988Art. 54 Woningwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing opschortende werking vergunning Badpaviljoen Domburg onder monumentenwet

Verzoekster kreeg op 22 december 2000 een vergunning op grond van de Monumentenwet voor het verbouwen en uitbreiden van het Badpaviljoen te Domburg. Eigenaren van een nabijgelegen villa, X en X-Y, dienden bezwaren in tegen deze vergunning, die door verweerder niet-ontvankelijk werden verklaard. Tegen dit besluit stelden zij beroep in bij de rechtbank.

Verzoekster vroeg de president van de rechtbank om opheffing van de opschortende werking van de vergunning zodat de werkzaamheden konden aanvangen. De president oordeelde dat X en X-Y wel degelijk belanghebbenden zijn omdat hun villa in directe nabijheid ligt en zij de woning als vakantiewoning gebruiken. Dit belang is eigen en rechtstreeks betrokken bij de vergunning.

De president verwachtte echter dat het bestreden besluit in beroep geen stand zal houden en dat de inhoudelijke bezwaren van X en X-Y waarschijnlijk ongegrond zullen worden verklaard, mede op basis van adviezen van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg en de Monumentencommissie die het bouwplan als het meest monumentvriendelijke alternatief beschouwen.

Gezien de desolate staat van het Badpaviljoen en de subsidieverplichting om uiterlijk 1 juni 2001 te starten met de werkzaamheden, concludeerde de president dat handhaving van de schorsing voor verzoekster onevenredig nadeel oplevert. Daarom werd de opschortende werking van de vergunning opgeheven.

De president wees proceskostenveroordeling af en sprak de uitspraak uit op 30 mei 2001.

Uitkomst: De opschortende werking van de vergunning voor het Badpaviljoen is opgeheven zodat de werkzaamheden kunnen starten.

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE MIDDELBURG
PRESIDENT BESTUURSRECHT
Reg.nr.: Awb 01/298
Uitspraak, op het verzoek om toepassing van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (voorlopige voorziening) inzake :
A en B Projectontwikkelingsmaatschappij BV, gevestigd te C, verzoekster,
gemachtigde: mr. K.M. Moeliker, advocaat te Middelburg,
tegen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veere, verweerder.
1. Procesverloop.
Bij besluit van 22 december 2000 heeft verweerder op grond van artikel 11 van Pro de Monumentenwet aan verzoekster vergunning verleend voor het verbouwen en uitbreiden van het Badpaviljoen op het perceel aan de Badhuisweg 1 te Domburg.
Hiertegen is door X en X-Y een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.
Bij besluit van 10 april 2001 heeft verweerder de bezwaren van X en X-Y niet ontvankelijk verklaard.
Tegen dit besluit hebben X en X-Y beroep ingesteld bij deze rechtbank.
Verzoekster heeft de president van de rechtbank verzocht de opschortende werking van de aan haar verleende vergunning op te heffen.
Het verzoek is op 30 mei 2001 behandeld ter zitting. Verzoekster werd daar vertegenwoordigd door B en D, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde J. den Boer en C. Maas, ambtenaren van de gemeente. Verder waren ter zitting aanwezig X en X-Y, bijgestaan door hun gemachtigde mr. K. Berg, advocaat te 's-Gravenhage.
2. Overwegingen.
Ingevolge artikel 16, zevende lid, van Monumentenwet 1988 wordt de werking van de vergunning als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van die wet opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken, of indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist. De vergunninghouder kan de president van de rechtbank, onderscheidenlijk de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verzoeken de opschorting op te heffen. Titel 8.3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is van overeenkomstige toepassing.
Ingevolge artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Voor zover daarbij de toetsing door de president meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de president daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.
Blijkens de gedingstukken heeft verweerder besloten aan verzoekster met toepassing van artikel 11 van Pro de Monumentenwet vergunning te verlenen voor het restaureren en uitbreiden van het als rijksmonument aangewezen Badpaviljoen aan de Badhuisweg 1 te Domburg. Verweerder heeft daarbij tevens ingestemd met de sloop van de later aan het monument toegevoegde aanbouw met lessenaarsdak. Door X en X-Y, die eigenaren zijn van de nabij het Badpaviljoen gesitueerde villa "[…]", welke eveneens als rijksmonument is aangewezen, zijn bezwaren tegen deze vergunning ingediend. Zij menen dat door de afbraak van de serre, aanpassingen aan de gevels en aan het interieur en door de massale nieuwbouw het Badpaviljoen ernstig wordt aangetast. Volgens de bezwaarden wordt daarbij ook aan het ensemble van monumenten in de directe omgeving afbreuk gedaan. De bezwaarden menen dat met een minder ingrijpend bouwplan ook een rendabele exploitatie mogelijk is door behoud van de positieve delen van de beoogde horeca-exploitatie en door de verkoop van een beperkt aantal appartementen.
In het bestreden besluit heeft verweerder besloten dat X en X-Y niet ontvankelijk zijn in hun bezwaren omdat zij niet als belanghebbende bij het bestreden besluit kunnen worden aangemerkt.
Verzoekster heeft verzocht om opheffing van de opschortende werking die door artikel 16, zevende lid, van de Monumentenwet aan bovengenoemde vergunning is verbonden gelet op het belang dat met de restauratie van het badpaviljoen is gemoeid. Zij wijst erop dat verweerder zich in de thans bestaande situatie op grond van het bepaalde in artikel 54 van Pro de Woningwet genoodzaakt ziet zijn beslissing op de aanvraag voor de bouwvergunning aan te houden, hoewel op er zichzelf geen gronden zijn om negatief op deze aanvraag te beslissen. Verzoekster heeft er tenslotte op gewezen dat voor deze restauratie een subsidie is toegekend waaraan het voorschrift is verbonden dat uiterlijk op 1 juni 2001 met de werkzaamheden moet zijn begonnen.
De president overweegt dat in beginsel slechts aanleiding bestaat de schorsende werking als bedoeld in voornoemd artikel te doorbreken indien aan de opheffing van de schorsing geen onherstelbare gevolgen zijn verbonden, dan wel er voldoende aanknopingspunten zijn om te veronderstellen dat de beslissing in bezwaar of in beroep in stand zal blijven en ook overigens is gebleken dat degene die om opheffing heeft verzocht door handhaving van de schorsing onevenredig nadeel lijdt.
Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat als belanghebbenden bij een monumentenvergunning kunnen worden aangemerkt de eigenaar of anderszins zakelijk gerechtigden van het monument dan wel stichtingen of verenigingen die blijkens hun statutaire doel het behoud van monumenten nastreven. Verweerder is van mening dat X en X-Y niet tot deze kring van belanghebbenden behoren. Verder wordt gesteld dat in de beschrijving van het Badpaviljoen als monument, anders dan in de beschrijving van de villa van de bezwaarden, niet de ensemblewaarde met de villa naar voren komt. Uit dit laatste concludeert verweerder dat ook geen sprake is van een persoonlijk belang van de bezwaarden.
De president deelt dit standpunt niet.
Uit de stukken blijkt dat de villa van X en X-Y gelegen is in de directe nabijheid van het Badpaviljoen. Naar voorlopig oordeel van de president is daarmede sprake van een eigen en rechtstreeks bij de verleende monumentenvergunning betrokken belang als bedoeld in artikel 1:2 van Pro Awb. Niet zonder betekenis daarbij is dat de bezwaarden ter zitting hebben verklaard dat de villa door de familie als vakantiewoning wordt gebruikt en een groot gedeelte van het jaar wordt bewoond.
Naar het oordeel van de president blijkt uit de door verweerder bedoelde jurisprudentie dat het daarbij ging om belangen die niet rechtstreeks betrokken waren bij de vergunningverlening doch slechts om afgeleide belangen dan wel om belangen van boven-individuele aard. De jurisprudentie acht de president in dit geval dan ook niet relevant.
De president verwacht op grond van het voorgaande niet dat het bestreden besluit in beroep stand zal kunnen houden. Gelet hierop zou er geen aanleiding zijn de schorsende werking te doorbreken, doch naar het oordeel van de president dient echter tevens voorshands te worden bezien of de inhoudelijke bezwaren van X en X-Y zullen worden gehonoreerd.
Daartoe overweegt de president het volgende.
Uit de gedingstukken blijkt dat verweerder mede naar aanleiding van het ingediende bezwaarschrift van X en X-Y advies heeft ingewonnen van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. In dit advies wordt onderkend dat bij de voorgenomen restauratie van het badpaviljoen sprake zal zijn van een zekere mate van aantasting van monumentale waarden maar gesteld wordt dat reeds jarenlang al veel van die waarden door illegale verbouwingen, achterstallig onderhoud en vandalisme grondig zijn aangetast. Betreffende de door de bezwaarden gestelde ensemblewaarde van hun villa met het badpaviljoen wordt gesteld dat die waarde in de huidige rommelige situatie van aanbouwsels achter het badpaviljoen meer geweld wordt aangedaan dan door de aldaar geplande nieuwbouw. Blijkens het advies verdient het behoud van het badpaviljoen in zijn oorspronkelijke omvang, functie en detaillering weliswaar de voorkeur doch betwijfeld wordt dat in die vorm het gebouw als horecagelegenheid is te exploiteren. In het advies wordt in dit verband gewezen op eerdere uitbreidingsplannen in 1990 en 1995. Geconcludeerd wordt dat onder deze omstandigheden met het voorgenomen plan het meest monumentvriendelijke alternatief is gevonden.
In het advies van de Monumentencommissie van 15 februari 2001, waarin positief over het bouwplan wordt geadviseerd, wordt opgemerkt dat het bestaande gebouw los voor de nieuw realiseren uitbreiding ligt en als voorgevelfacade intact blijft. Vanaf de dorpszijde is de uitbreiding door deze opzet nauwelijks waar te nemen.
Gezien deze adviezen acht de president voorshands de kans gering dat verweerder bij heroverweging van de bezwaren van X en X-Y tot gegrondverklaring daarvan zal besluiten.
Verzoekster heeft ter zitting onweersproken gesteld dat het Badpaviljoen thans in een desolate en verpauperde toestand verkeert en dat bij langer wachten met restauratie voor het behoud van het monument moet worden gevreesd. Ter zitting heeft verzoekster verder verklaard dat niet van de bij de subsidietoekenning bepaalde uiterste datum van 1 juni 2001 waarop de werkzaamheden moeten zijn begonnen kan worden afgeweken. Aan de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is om een ander standpunt in deze gevraagd maar het antwoord daarop is nog niet bekend, aldus verzoekster.
In het licht van het hiervoor overwogene komt de president tot de conclusie dat vergunninghouder door handhaving van de schorsing van de vergunning onder de hiervoor geschetste omstandigheden onevenredig nadeel zal lijden. Het verzoek om opheffing van de schorsing dient derhalve te worden toegewezen.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de president geen aanleiding.
3. Uitspraak.
De president van de Arrondissementsrechtbank te Middelburg,
heft de opschortende werking ingevolge de Monumentenwet 1998 van het besluit van 22 december 2000 op;
Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2001 door mr. T. Damsteegt als president, in tegenwoordigheid van mr. W. Evenhuis als griffier.
Griffier, President,
Afschrift verzonden op: