ECLI:NL:RBMID:2001:AB3084
Rechtbank Middelburg
- Voorlopige voorziening
- T. Damsteegt
- Rechtspraak.nl
Opheffing opschortende werking vergunning Badpaviljoen Domburg onder monumentenwet
Verzoekster kreeg op 22 december 2000 een vergunning op grond van de Monumentenwet voor het verbouwen en uitbreiden van het Badpaviljoen te Domburg. Eigenaren van een nabijgelegen villa, X en X-Y, dienden bezwaren in tegen deze vergunning, die door verweerder niet-ontvankelijk werden verklaard. Tegen dit besluit stelden zij beroep in bij de rechtbank.
Verzoekster vroeg de president van de rechtbank om opheffing van de opschortende werking van de vergunning zodat de werkzaamheden konden aanvangen. De president oordeelde dat X en X-Y wel degelijk belanghebbenden zijn omdat hun villa in directe nabijheid ligt en zij de woning als vakantiewoning gebruiken. Dit belang is eigen en rechtstreeks betrokken bij de vergunning.
De president verwachtte echter dat het bestreden besluit in beroep geen stand zal houden en dat de inhoudelijke bezwaren van X en X-Y waarschijnlijk ongegrond zullen worden verklaard, mede op basis van adviezen van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg en de Monumentencommissie die het bouwplan als het meest monumentvriendelijke alternatief beschouwen.
Gezien de desolate staat van het Badpaviljoen en de subsidieverplichting om uiterlijk 1 juni 2001 te starten met de werkzaamheden, concludeerde de president dat handhaving van de schorsing voor verzoekster onevenredig nadeel oplevert. Daarom werd de opschortende werking van de vergunning opgeheven.
De president wees proceskostenveroordeling af en sprak de uitspraak uit op 30 mei 2001.
Uitkomst: De opschortende werking van de vergunning voor het Badpaviljoen is opgeheven zodat de werkzaamheden kunnen starten.