AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen bouwvergunning voor woontorens en parkeergarage in Terneuzen
De zaak betreft een verzoek om voorlopige voorziening door verzoekster tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Terneuzen om een bouwvergunning te verlenen aan Gebroeders X B.V. voor de bouw van twee woontorens en een parkeergarage. De vergunning werd verleend met toepassing van het nieuwe artikel 19 vanPro de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). Verzoekster maakte bezwaar en vroeg de president van de rechtbank om schorsing van het besluit.
Eerder had de president een voorlopige voorziening getroffen die de bouwvergunning verleend onder het oude artikel 19 WROPro schorste. Verweerder trok daarop de eerste vergunning in en verleende een nieuwe vergunning op basis van het gewijzigde artikel 19 WROPro. De president oordeelde dat de schorsing van de eerste vergunning zich uitstrekt tot de nieuwe vergunning, omdat het bouwplan nagenoeg identiek is. De intrekking van de eerste vergunning werd gezien als een poging om de procedure te omzeilen en de geconstateerde gebreken te negeren.
De rechtbank concludeerde dat het verzoek om schorsing van de nieuwe vergunning overbodig is omdat de eerdere schorsing nog van kracht is. Tevens werd overwogen dat de bezwaarprocedure tegen de eerste vergunning de juiste weg was om gebreken te herstellen. Gezien de ernst van de planologische belangen en de nabijheid van andere hoogbouwplannen, is een zorgvuldige planologische afweging noodzakelijk. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen en verweerder werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de bouwvergunning wordt afgewezen omdat de eerdere schorsing van een vrijwel identiek bouwplan nog van kracht is.
Uitspraak
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE MIDDELBURG
PRESIDENT BESTUURSRECHT
Reg.nr.: Awb 01/437 VV
Uitspraak op het verzoek om toepassing van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (voorlopige voorziening) inzake:
A e/v B, wonende te C, verzoekster,
tegen
het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Terneuzen, verweerder.
1. Procesverloop.
Bij besluit van 27 juni 2001 heeft verweerder aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Gebroeders X B.V. (hierna: X) met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening een bouwvergunning verleend voor de bouw van twee woontorens en een parkeergarage aan het Oostelijk Bolwerk te Terneuzen.
Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Zij heeft tevens de president verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat het besluit wordt geschorst.
Het geschil is op 16 augustus 2001 behandeld ter zitting. Verzoekster is hierbij verschenen. Namens verweerder waren hierbij aanwezig mr. C.J. IJdema en G.C.A. Gernaert. Tevens is namens X verschenen mr. J. van Boekel, alsmede R.M. van Pamelen en M. van der Staal.
2. Overwegingen.
Ingevolge artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Voor zover daarbij de toetsing door de president meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de president daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.
Artikel 40, eerste lid, van de Woningwet (hierna: Ww) bepaalt dat het verboden is te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders.
Artikel 44, onder c, van de Ww bepaalt dat een bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd indien het bouwwerk in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen.
Op 3 april 2000 is de wijziging van artikel 19 vanPro de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) in werking getreden. Op een bouwaanvraag die voor die datum is ingediend, is op grond van het overgangsrecht het oude artikel 19 WROPro van toepassing, terwijl op een bouwaanvraag die ná 3 april 2000 is ingediend het gewijzigde artikel 19 vanPro de WRO van toepassing is.
Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO, zoals dit artikel luidde tot 3 april 2000, kunnen burgemeester en wethouders voor een gebied waarvoor een voorbereidingsbesluit geldt of een ontwerp voor een herziening van een bestemmingsplan ter inzage is gelegd, vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits vooraf van Gedeputeerde Staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben.
Volgens vaste jurisprudentie dient bij toepassing van dit artikel de urgentie van anticipatie op het nieuwe bestemmingsplan op te wegen tegen de inbreuk op de bestaande situatie, dan wel het ter plaatse geldende planologische regime.
Het gewijzigde artikel 19, eerste lid, van de WRO, zoals dit vanaf 3 april 2000 geldt, bepaalt dat de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling kan verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van Gedeputeerde Staten de verklaring is ontvangen dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben.
Op 8 december 1999 heeft verweerder van X de aanvraag voor de bouw van de twee woontorens ontvangen. Op deze aanvraag heeft verweerder bij besluit van 4 december 2000 beslist door aan X, met toepassing van het oude artikel 19 vanPro de WRO, een bouwvergunning te verlenen. De president van deze rechtbank heeft naar aanleiding van het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster dit besluit in zijn uitspraak van 8 februari 2001 geschorst.
In zijn uitspraak heeft de president onder meer overwogen dat de bouwvergunning en de vrijstelling ten onrechte zijn verleend omdat voor de bouwlocatie geen voorbereidingsbesluit (meer) gold en er geen (schriftelijk) welstandsadvies voor het onderhavige bouwplan voor handen was. Volgens de president is voorts niet aannemelijk geworden dat sprake is van een zodanige spoedeisendheid dat vooruit gelopen dient te worden op een nieuw te ontwerpen bestemmingsplan. Daarnaast heeft de president overwogen dat hij de inbreuk op het ter plaatse geldende planologische regime aanmerkelijk acht en dat hem niet is gebleken dat het plan was voorzien van voldoende planologische onderbouwing.
Naar aanleiding van deze uitspraak heeft verweerder op 22 februari 2001 een voorbereidingsbesluit genomen tot partiële herziening van het onderhavige bestemmingsplan Java, welk besluit in werking is getreden op 5 maart 2001.
Vervolgens heeft verweerder deze bouwvergunningsprocedure niet vervolgd, maar heeft verweerder X uitgenodigd een nieuwe aanvraag voor een bouwvergunning in te dienen, hetgeen X op 23 maart 2001 heeft gedaan. Op 19 april 2001 heeft verweerder bekend gemaakt naar aanleiding van deze aanvraag voornemens te zijn aan X op grond van het nieuwe artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling te verlenen van het vigerende bestemmingsplan. Tegen dit voornemen heeft verzoekster haar zienswijzen bekend gemaakt, welke zienswijzen in de op 23 mei 2001 door verweerder gehouden hoorzitting zijn behandeld. Hierna heeft verweerder op 11 juni 2001 een aanvraag gedaan bij het College van Gedeputeerde Staten van Zeeland voor een verklaring van geen bezwaar ten behoeve van de voorgenomen vrijstelling aan X.
Bij schrijven van 22 juni 2001 heeft verweerder vervolgens aan X bericht dat de op 4 december 2000 aan X verleende bouwvergunning is ingetrokken.
Bij besluit van 26 juni 2001 heeft het college van gedeputeerde staten de verklaring van geen bezwaar verleend, waarna verweerder op 27 juni 2001 het bestreden besluit tot verlening van de bouwvergunning aan X heeft genomen.
De president ziet zich allereerst geplaatst voor de vraag wat de schorsing van het besluit van 4 december 2000 betekent voor het onderhavige besluit.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat de wijzigingen in het oorspronkelijke bouwplan verweerder ertoe brachten verzoeker een nieuwe bouwaanvraag in te laten dienen en aldus het onderhavige besluit te nemen.
Verzoekster stelt in dit verband onder meer dat de oorspronkelijke bouwaanvraag van X gehandhaafd moet worden en afgedaan had moeten worden volgens de procedure uit het oude artikel 19 WROPro, omdat van een substantiële wijziging van het bouwplan geen sprake is. Daarnaast stelt verzoekster dat de te bouwen woontorens een afbreuk zullen doen aan haar woongenot, dat er gevreesd moet worden voor windhinder en dat het openbaar groen onaanvaardbaar afneemt.
De president overweegt dienaangaande als volgt.
Verweerder heeft ter terechtzitting uitgelegd dat de oorspronkelijke vergunningaanvraag van 8 december 1999 gedurende de vrijstellingsprocedure diverse wijzigingen heeft ondergaan en dat de uiteindelijk verleende bouwvergunning d.d. 4 december 2000 niet veel afwijkt van het bouwplan waarvoor verweerder de onderhavige bouwvergunning heeft verleend.
Naar het voorlopig oordeel van de president strekt de ten aanzien van de eerst verleende bouwvergunning op 8 februari 2001 uitgesproken schorsing zich mede uit tot de thans in het geschil zijnde bouwvergunning, nu deze betrekking heeft op een nagenoeg identiek bouwplan.
Daarnaast valt naar het oordeel van de president niet in te zien dat de bezwaarprocedure ten aanzien van de eerst verleende bouwvergunning niet de geëigende weg was om eventuele gebreken aan de gewijzigde oorspronkelijke bouwaanvraag te herstellen.
Het stond verweerder niet vrij het besluit van 4 december 2000 in te trekken, omdat de schorsing van dit besluit noch door de president noch van rechtswege is opgeheven. Intrekking van dit besluit klemt te meer nu de president deze handelwijze van verweerder niet anders kan uitleggen dan dat verweerder hiermee ten doel heeft gehad om van de procedure in het gewijzigde artikel 19 vanPro de WRO gebruik te kunnen maken en de gebreken die door de president ten aanzien van het besluit van 4 december 2000 zijn geconstateerd, waaronder het ontbreken van urgentie, onbehandeld te laten.
In dit verband acht de president tevens van belang dat ter zitting is gebleken dat er serieus rekening mee moet worden gehouden dat vlak naast de twee geplande woontorens, op de locatie van het huidige medische centrum, nog meer hoogbouw wordt gepland, hetgeen de noodzaak van een zorgvuldige planologische inpassing van het bouwplan nog dringender maakt.
Nu de schorsing van het besluit van 4 december 2000 thans nog van kracht is, is het verzoek tot schorsing van het onderhavige besluit overbodig en dient dit aldus te worden afgewezen met veroordeling van verweerder in de proceskosten.
3. Uitspraak.
De president van de Arrondissementsrechtbank te Middelburg,
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
bepaalt dat de gemeente Terneuzen aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van f 225,- (tweehonderdvijfentwintig gulden) vergoedt.
Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2001
door mr. R.C.M. Reinarz als president, in tegenwoordigheid van mr. W.J. de Veld als griffier.