ECLI:NL:RBMID:2001:ZF5439
Rechtbank Middelburg
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- R.C.M. Reinarz
- Rechtspraak.nl
Vernietiging vergunning doden waterhoentjes wegens onvoldoende aannemelijkheid belangrijke schade
De Stichting De Faunabescherming heeft beroep ingesteld tegen een vergunning verleend door de Commissaris der Koningin in Zeeland aan de wildbeheereenheid Zuid-West-Zuid-Beveland voor het doden van waterhoentjes op landbouwgronden.
De vergunning was gebaseerd op artikel 10 Vogelwet Pro 1936 en stelde dat het groepsgewijze fourageergedrag van waterhoentjes belangrijke schade aan wintertarwe en graszaad kan veroorzaken. Verweerder stelde dat preventieve maatregelen onvoldoende waren en dat afrastering niet effectief of te kostbaar was.
De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de schade van circa 1000 gulden als belangrijke schade moest worden aangemerkt. Er ontbraken gegevens over omvang, ligging en bedrijfsresultaten van de landbouwgronden, waardoor geen inzicht bestond in de onevenredigheid van de last.
Ook was onvoldoende onderbouwd dat geen andere bevredigende oplossingen bestonden. Daarom werd het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen bleven in stand vanwege onherroepelijkheid. De rechtbank bepaalde tevens dat het betaalde griffierecht aan eiseres werd vergoed.
Uitkomst: De vergunning voor het doden van waterhoentjes wordt vernietigd wegens onvoldoende aannemelijkheid van belangrijke schade.