ECLI:NL:RBMID:2003:AH9214
Rechtbank Middelburg
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen dwangsomoplegging voor niet-verwijderen strandpaviljoen
Eiser kreeg op 2 november 2001 een dwangsom opgelegd omdat hij het strandpaviljoen niet had verwijderd na het verlopen van zijn vergunning op 1 november 2001. Eiser stelde dat zijn beroep niet-ontvankelijk was wegens het ontbreken van belang en dat er concreet uitzicht bestond op legalisering van de jaarrond exploitatie van het paviljoen.
De rechtbank oordeelde dat het beroep wel ontvankelijk was omdat de voorlopige voorziening slechts een tijdelijk karakter had en dat dwangsommen tijdens de schorsing niet verbeurd werden, maar na de einduitspraak de dwangsombeschikking weer van kracht kon worden. Het standpunt van eiser dat er concreet uitzicht was op legalisering werd verworpen omdat het bestemmingsplan nog niet was gewijzigd en de noodzakelijke beleidswijzigingen nog niet waren doorgevoerd.
De rechtbank stelde vast dat de overtreding beperkt was tot de periode van 1 november 2001 tot 15 maart 2002, waarna een nieuwe vergunning zou ingaan. Er waren geen bijzondere omstandigheden die handhaving onredelijk maakten. Daarom was de dwangsomoplegging terecht en werd het beroep ongegrond verklaard.
De uitspraak werd gedaan door rechter J.P.M. Hopmans op 12 juni 2003. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken na verzending.
Uitkomst: Het beroep tegen de dwangsomoplegging wordt ongegrond verklaard en de dwangsom blijft van kracht.