ECLI:NL:RBMID:2004:AO9034
Rechtbank Middelburg
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen erfdienstbaarheid van uitweg ontstaan door gebruik sinds 1928 onder oud en nieuw recht
Eiseressen vorderden dat gedaagden zich zouden onthouden van het gebruik van een uitweg over hun perceel, stellende dat geen erfdienstbaarheid bestond omdat er geen akte van vestiging was en geen sprake was van verjaring. Gedaagden stelden dat een erfdienstbaarheid was gevestigd bij een veilingakte uit 1928 en dat zij door langdurig gebruik een erfdienstbaarheid door verjaring hadden verkregen.
De rechtbank stelde vast dat in geen van de notariële akten expliciet een erfdienstbaarheid van uitweg was gevestigd ten gunste van het perceel van gedaagden en ten laste van dat van eiseressen. Het beding in de veilingakte uit 1928 kon niet zo worden uitgelegd dat het ook percelen buiten de veiling zou belasten. Bovendien was het perceel van gedaagden destijds als één geheel gekocht met een uitweg op de openbare weg, waardoor het beding niet van toepassing was.
Wat betreft verjaring oordeelde de rechtbank dat onder het oude Burgerlijk Wetboek een erfdienstbaarheid van uitweg niet door verkrijgende verjaring kon ontstaan omdat het recht van uitweg niet als voortdurende erfdienstbaarheid werd aangemerkt. Onder het nieuwe recht kon verjaring pas vanaf 1992 beginnen en was bezit te goeder trouw vereist, hetgeen niet kon worden aangenomen omdat geen inschrijving in de openbare registers bestond.
De rechtbank wees de vordering van gedaagden af en veroordeelde hen zich te onthouden van het gebruik van de uitweg over het perceel van eiseressen, met een dwangsom bij overtreding. Tevens werden zij veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Gedaagden worden veroordeeld zich te onthouden van het gebruik van de uitweg over het perceel van eiseressen met een dwangsom bij overtreding.