ECLI:NL:RBMID:2004:AP0524
Rechtbank Middelburg
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.T. Begheyn
- R.C.M. Reinarz
- G.J.A. van Unnik
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs voor bodemverontreiniging door lozing paraffine op zee
De rechtbank Middelburg behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het opzettelijk niet nakomen van de zorgplicht uit artikel 13 van Pro de Wet bodembescherming (Wbb) door het lozen van paraffine (waswater met slack-wax) op de Nederlandse stranden van Zuid-Holland en Zeeland.
De tenlastelegging betrof het achterlaten van stoffen die de bodem kunnen verontreinigen zonder afdoende maatregelen te nemen. De rechtbank oordeelde dat de dagvaarding voldoende concreet was en dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk was in de strafvervolging.
Uit het bewijs bleek dat verdachte als manager van de chemicaliëntanker wist dat de kapitein met niet geheel gereinigde tanks naar zee was vertrokken, maar er was geen wettig en overtuigend bewijs dat verdachte actief en opzettelijk betrokken was bij de lozing buiten de territoriale wateren. De rechtbank stelde dat medeplegen niet bewezen kon worden omdat de kapitein zelfstandig verantwoordelijk was en de lozing onder het Marpol Verdrag was toegestaan.
De rechtbank sprak verdachte vrij omdat niet kon worden bewezen dat zij de zorgplicht had geschonden met opzet of bewuste samenwerking. Tevens werd overwogen dat de Wbb alleen ziet op handelingen op of in de bodem en dat het Marpol Verdrag niet van toepassing is op de lozing van paraffine, maar dat dit in dit geval niet tot strafbaarheid leidde.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van opzettelijke schending van de zorgplicht bij lozing van paraffine op zee.