ECLI:NL:RBMID:2004:AR1110
Rechtbank Middelburg
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.J.R.P. Verhoeven
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid kantonrechter bij arbeidsongeval aan boord van schip
In deze zaak vordert partij A, werkzaam als kok aan boord van een schip, schadevergoeding wegens een arbeidsongeval dat hij op 8 augustus 2000 heeft opgelopen tijdens werkzaamheden op een motor-schip. Partij A baseert zijn vordering op een arbeidsovereenkomst met partij B, waarbij de werkzaamheden aan boord van het schip moesten worden verricht.
Partij B stelt dat de kantonrechter onbevoegd is omdat artikel 7:658 BW Pro niet van toepassing zou zijn op de arbeidsovereenkomst, aangezien partij A ten tijde van het ongeval als schepeling aan boord was, waardoor het Wetboek van Koophandel van toepassing zou zijn. Partij A bestrijdt dit en stelt dat hij niet als schepeling kan worden beschouwd omdat de arbeidsovereenkomst niet met een zeewerkgever is aangegaan.
De kantonrechter oordeelt dat het niet nodig is om te bepalen of partij A als schepeling moet worden aangemerkt. Uit de dagvaarding blijkt dat de vordering feitelijk is gebaseerd op het niet naleven door partij B van haar zorgplicht als goed werkgever, waardoor de vordering betrekkelijk is tot een arbeidsovereenkomst. Daarom is de kantonrechter bevoegd.
Daarnaast verleent de kantonrechter partij B verlof om in vrijwaring derden, waaronder de eigenaar van het schip en de P & I verzekeraar(s), te dagvaarden. De zaak wordt verwezen naar een rolzitting voor verdere behandeling van deze vrijwaringsvordering.
Uitkomst: De kantonrechter verklaart zich bevoegd en wijst de vordering tot oproeping in vrijwaring toe.