ECLI:NL:RBMID:2004:AS9540

Rechtbank Middelburg

Datum uitspraak
20 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04-3025
Instantie
Rechtbank Middelburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.J.R.P. Verhoeven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 93 RvArt. 7:617 BWArt. 7:620 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwijzing zaak arbeidsvergoedingsovereenkomst tussen echtgenoten naar civiele sector

Tussen partijen, voormalig echtgenoten, bestond een arbeidsvergoedingsovereenkomst waarbij de vrouw werkzaamheden verrichtte in het bedrijf van de man tegen een vergoeding van fl. 29,00 per uur. De betaling van deze vergoeding vond plaats via een constructie waarbij de vrouw het loon ontving en dit direct weer aan de man terugleende, waardoor de vordering feitelijk een geldlening betrof.

De vrouw vorderde betaling van het netto inkomen over de looptijd van de overeenkomst, stellende dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst. De man betwistte dit en stelde dat een arbeidsovereenkomst tussen echtgenoten niet mogelijk is en dat de vordering verjaard is.

De kantonrechter beoordeelde dat de vordering niet ziet op een arbeidsovereenkomst maar op een geldlening, waardoor de kantonrechter niet bevoegd is vanwege de overschrijding van de financiële grens van € 5.000. De zaak werd daarom verwezen naar de sector civiel recht van de rechtbank voor verdere behandeling.

De kantonrechter wees ook het verweer van nietigheid van de loonbetaling wegens strijd met artikel 7:620 BW Pro af, aangezien de constructie van loonbetaling via geldlening niet verboden is. De vraag of er sprake is van een arbeidsovereenkomst bleef onbesproken en wordt aan de civiele sector overgelaten.

Uitkomst: De kantonrechter verwijst de zaak naar de sector civiel recht wegens overschrijding bevoegdheidsgrens en kwalificatie vordering als geldlening.

Uitspraak

Rolnr: 04-3025
Uitspraak: 20 december 2004
Rechtbank Middelburg
Sector kanton - zitting te Middelburg
V O N N I S
in de zaak van:
[eiseres],
wonende te [woonplaats],
eisende partij,
verder te noemen: [eiseres],
gemachtigde: mr. P.J.G. van Loo,
t e g e n :
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
verder te noemen: [verweerder],
gemachtigde: mr. H. van Es.
het verdere verloop van de procedure
Na het tussenvonnis van 27 september 2004 is de procedure als volgt verlopen:
- verschijning van partijen.
de verdere beoordeling van de zaak
1. Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest van 3 juni 1988 tot 2 februari 2004. Zij waren gehuwd op huwelijkse voorwaarden inhoudende uitsluiting van iedere gemeenschap met een verrekenbeding.
2. Op 8 mei 1991 hebben partijen met elkaar een overeenkomst gesloten welke is neergelegd in een "akte van arbeidsvergoedingsovereenkomst". In deze overeenkomst is voorzover hier van belang bepaald dat [eiseres] zich verplichtte om gemiddeld 18 uren per week werkzaam te zijn in het bedrijf van [verweerder] tegen een vergoeding van fl. 29,00 per uur. In artikel 3 van Pro deze overeenkomst staat dat deze beloning per maand werd betaald. Over de wijze van betaling is in dat artikel het navolgende opgenomen:
"Betaling van de beloning geschiedt een week voor ommekomst van de betalingstermijn door schuldomzetting in wegens te leen ontvangen gelden, waardoor de ondergetekende sub 2 de beloning heeft genoten en de ondergetekende sub 1 is gekweten van zijn betalingsverplichtingen voortvloeiende uit de onderhavige overeenkomst."
3. [verweerder] heeft de kosten die waren gemoeid met deze overeenkomst, fl. 29,00 maal 18 uren maal 52 weken per jaar als zakelijke last in mindering gebracht op zijn bedrijfswinst en ook de verschuldigde loonbelasting in verband daarmee afgedragen. Feitelijk heeft [verweerder] nimmer enig nettoloon aan [eiseres] voldaan.
4. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat de betreffende overeenkomst een arbeidsovereenkomst is en vordert nu veroordeling van [verweerder] tot betaling van het netto inkomen dat zij gedurende de looptijd van overeenkomst, die zij stelt op 10,67 jaren, had moeten ontvangen. In hoofdsom vordert zij € 111.362,20. [verweerder] heeft deze vordering bestreden. Volgens hem is er geen sprake van een arbeidsovereenkomst. Zo'n arbeidsovereenkomst zou volgens [verweerder] ook niet mogelijk zijn tussen echtelieden. [eiseres] heeft volgens [verweerder] ook nimmer aanspraak gemaakt op loon, maar voorzover zij daarop aanspraak zou hebben kunnen maken, zou het ontvangen loon door haar moeten zijn ingebracht in het kader van de huwelijkse voorwaarden. Voorts doet [verweerder] een beroep op verjaring.
5. De kantonrechter zal eerst ingaan op de vraag of de in het geding zijnde vordering beschouwd moet worden als een vordering betreffende een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 93 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Indien dit niet het geval is immers is de kantonrechter niet bevoegd de vordering, die de bevoegdheidsgrens van € 5.000,-- in ruime mate te boven gaat, te beoordelen, maar moet de zaak worden verwezen naar de dan bevoegde sector voor civiel recht van deze rechtbank.
6. De kantonrechter overweegt dat het hierboven geciteerde deel van artikel 3 van Pro de arbeidsvergoedingsovereenkomst een constructie bevat betreffende de betaling van de aan [eiseres] toekomende arbeidsbeloning. Deze constructie komt erop neer dat [eiseres] de arbeidsvergoeding wekelijks voor ommekomst van de betalingstermijn ontving en dat zij deze vervolgens weer aan [verweerder] terug leende, waartegenover zij dan weer een vordering op [verweerder] kreeg uit hoofde van geldlening. De schuld terzake van arbeidsbeloning werd aldus ingelost, maar via deze schuldomzettingsconstructie vervangen door een schuld terzake geldlening. De vordering is dan ook naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter geen vordering betreffende een arbeidsovereenkomst, maar een vordering wegens geldlening.
7. Ten onrechte heeft [eiseres] in de dagvaarding gesteld dat de bepaling dat het loon omgezet wordt in een geldlening nietig zou zijn wegens strijdigheid met artikel 7: 620 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 7: 620 BW ziet op de voldoening van loon dat in geld is vast gesteld en schrijft voor dat dan betaald moet worden in een Nederlands wettig betaalmiddel. Het artikel staat er niet aan in de weg dat wordt overeengekomen dat het ontvangen geld aansluitend wordt terugbetaald bij wijze van geldlening, zoals via de hiervoor bedoelde constructie van artikel 3 van Pro de de arbeidsvergoedingsovereenkomst. Het feit dat, naar mag worden aangenomen, uitgaande van deze constructie het loonbedrag niet steeds daadwerkelijk heen en weer, maar als het ware slechts "op papier" betaald werd - omdat het feitelijk heen en weer betalen praktisch beschouwd een zinloze handeling zou zijn - doet er niet aan af dat de betreffende bepaling en de daarin vervatte constructie dit heen en weer betalen wel in zich draagt hetgeen niet door artikel 7: 620 BW verboden wordt. Terzijde brengt de kantonrechter nog onder de aandacht dat het bepaalde in artikel 3 van Pro de de arbeidsvergoedingsovereenkomst ook zo geïnterpreteerd zou kunnen worden dat de overeenkomst inhield dat het loon niet in geld werd vastgesteld maar in een (leen)vordering. Er zou dan sprake zijn van een loonbetaling als bedoeld in artikel 7: 617, eerste lid onder c, BW, waarop artikel 7: 620 BW geen betrekking heeft. Zou men deze redenering volgen, dan moet geconcludeerd worden dat de arbeidsbeloning steeds is betaald in de vorm van het toekennen van leenschuldvordering gelijk aan het bedrag van de arbeidsbeloning, zodat de onderhavige vordering ofwel zou moeten worden afgewezen omdat de arbeidsbeloning geacht moet worden te zijn betaald ofwel moet worden aangemerkt als de vordering van een leenschuld.
8. Uit het voorgaande volgt dat naar voorlopig oordeel van de kantonrechter de vordering van [eiseres] aangemerkt moet worden als een vordering tot betaling van geleend geld, waarvan de omvang de bevoegdheidsgrens van € 5.000,00 te boven gaat, zodat de kantonrechter de zaak moet verwijzen naar de sector voor civiel recht.
9. De vraag of de "arbeidsvergoedingsovereenkomst" al dan niet aangemerkt moet worden als een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 93 Rv Pro. kan dan onbesproken blijven evenals de overige geschilpunten, nu deze vanzelfsprekend beoordeeld moeten worden door de sector voor civiel recht.
DE BESLISSING
De kantonrechter:
verwijst deze zaak in de stand waarin zij zich bevindt, voor verdere behandeling naar de rolzitting van de sector voor civiel recht van deze rechtbank van woensdag 2 februari 2005 te 10.00 uur;
wijst partijen erop dat zij op deze rolzitting niet in persoon, maar uitsluitend vertegenwoordigd door een procureur kunnen verschijnen;
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.R.P. Verhoeven, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 december 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.