ECLI:NL:RBMID:2005:AU3936
Rechtbank Middelburg
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WW-uitkering wegens verblijf in het buitenland anders dan vakantie
Eiser ontving vanaf 1 september 2003 een WW-uitkering en aanvullende WW-uitkering. Bij besluit van 19 november 2004 beëindigde het UWV de uitkering met ingang van 4 oktober 2004 omdat eiser zich toen in het buitenland bevond anders dan voor vakantie.
Eiser voerde aan dat hij zijn vertrek steeds tijdig had gemeld conform de informatiebrochure van het UWV, waarin alleen melding van vertrek werd gevraagd, niet van verblijf in het buitenland. Het bezwaar tegen de stopzetting werd ongegrond verklaard.
De rechtbank overwoog dat artikel 19, eerste lid, sub f van de WW dwingendrechtelijk bepaalt dat bij verblijf in het buitenland anders dan wegens vakantie geen recht op WW-uitkering bestaat. Het UWV was daarom verplicht de uitkering te beëindigen.
De rechtbank stelde vast dat eerdere meldingen van eiser niet adequaat waren opgevolgd, maar dit rechtvaardigde geen afwijking van de dwingendrechtelijke bepalingen. Het beroep van eiser werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de WW-uitkering wegens verblijf in het buitenland anders dan vakantie is ongegrond verklaard.