ECLI:NL:RBMID:2006:AY7188

Rechtbank Middelburg

Datum uitspraak
25 januari 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
44061 HA ZA 2004/401
Instantie
Rechtbank Middelburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7A:1576h BWArt. 7A:1576j BWArt. 7A:1576 lid 5 BWArt. 17 Wge
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling of effectenleaseovereenkomst kwalificeert als huurkoopovereenkomst

De zaak betreft een vordering van Dexia Bank Nederland N.V. tegen een gedaagde tot betaling van een bedrag voortvloeiend uit een beëindigde effectenleaseovereenkomst. Dexia stelt dat de gedaagde in verzuim is omdat hij de eindafrekening niet heeft voldaan. De overeenkomst bevat bepalingen over betaling in termijnen en eigendomsoverdracht die relevant zijn voor de kwalificatie als huurkoop.

De rechtbank analyseert de overeenkomst en de bijzondere voorwaarden en concludeert dat de overeenkomst kenmerken vertoont van een huurkoopovereenkomst volgens artikel 7A:1576h jo. 7A:1576 BW. Dit blijkt uit het betalingsschema, de opschortende voorwaarde voor eigendomsoverdracht en het economisch risico dat bij de gedaagde ligt.

Echter, om definitief vast te stellen of sprake is van huurkoop, moet worden vastgesteld of de effecten daadwerkelijk op naam van de gedaagde zijn bijgeschreven in de administratie van de betrokken instelling, conform artikel 17 Wge Pro. De rechtbank verwijst de zaak naar een rolzitting om Dexia de gelegenheid te geven hierover te rapporteren, waarna de gedaagde kan reageren.

De rechtbank houdt verdere beslissing aan en plant de rolzitting op 22 februari 2006. Hiermee wordt de procedure voortgezet met nadruk op het bewijs van aflevering van de effecten.

Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing aan en verwijst de zaak naar een rolzitting voor nadere bewijslevering over de aflevering van effecten.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG
Sector civiel recht
Vonnis van 25 januari 2006 in de zaak van:
rolnr: 401/04
De naamloze vennootschap
Dexia Bank Nederland N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres,
procureur: mr. J. Boogaard,
advocaat: mr. S. Meeuwsen;
tegen:
[gedaagde],
wonende te Heinkenszand,
gedaagde,
procureur: mr. P.H. van Kampen,
advocaat: mr. A.P.M. Corstjens.
1. Het verloop van de procedure
De volgende processtukken zijn in het incident gewisseld:
- incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid;
- conclusie van antwoord in het incident houdende exceptie van onbevoegdheid.
2. De feiten in het incident
2.1. Eiseres in de hoofdzaak, gedaagde in het incident – verder Dexia -, rechtsopvolgster van Bank Labouchere N.V., eveneens handelend onder de handelsnaam Legio, en op haar beurt rechtsopvolgster van Legio-Lease B.V., vordert in de hoofdzaak veroordeling van gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident –verder [gedaagde]- tot betaling aan haar van een bedrag van € 10.791,80, vermeerderd met rente over een bedrag van € 9.890,94 vanaf 11 december 2003 tot de dag van voldoening en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
Dexia stelt daartoe dat [gedaagde] in verzuim is doordat hij het bedrag van de eindafrekening, opgemaakt naar aanleiding van de beëindiging van de tussen partijen op 3 maart 2000 onder contractnummer [nummer] gesloten “effectenleaseovereenkomst” met betrekking tot het product “Profit Effect” – verder de overeenkomst -, ondanks aanmaning daartoe, niet heeft voldaan. Op deze overeenkomst zijn naast de in de overeenkomst vermelde bepalingen van toepassing de Bijzondere Voorwaarden Labouchere Effecten Lease, verder te noemen: de Bijzondere Voorwaarden.
2.2. De overeenkomst luidt, voor zover van belang.
“(…)
3. De lease-som bedraagt:
a) Het totaal van 36 maandtermijnen minus 10% korting: € 4.427,28/f 9.756,44(…)
Deze termijn dient te worden voldaan op of omstreeds de 1e van de maand volgend op de aankoopdatum.(…)
b) Een bedrag van zegge € 45,38/ƒ 100,-- (…) op of omstreeks de dag vallend 119 maanden na de aankoopdatum.
c) Aan het einde van de lease-overeenkomst het restant van zegge:
€13.178,22/f. 29.040,98.(…)
Dit restant wordt in principe verrekend met de verkoopopbrengst van de waarden.
(…)
5. Zodra lessee al datgene aan de Bank heeft betaald wat hij haar krachtens deze lease-overeenkomst en de daarbij behorende Bijzondere Voorwaarden Labouchere Effecten Lease verschuldigd is of zal worden, is lessee automatisch en van rechtswege eigenaar van de waarden geworden.
(…)”.
2.4. De Bijzondere Voorwaarden luiden, voor zover van belang:
(…)
“2. Bank Labouchere N.V. (hierna de Bank) en lessee komen overeen dat het eigendom van de waarden op de lessee overgaat door vervulling van de opschortende voorwaarde dat lessee aan al zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst heeft voldaan. De Bank behoudt het eigendom van de waarden totdat lessee aan al zijn verplichtingen uit hoofdevan de overeenkomst heeft voldaan en blijft als zodanig bevoegd over de waarden te beschikken. De Bank draagt het risico van het verloren gaan van de waarden (maar uitdrukkelijk niet de koerswaarde van de waarden) totdat deze eigendom van lessee zijn geworden.
3.Alle baten en waardeveranderingen van de waarden komen lessee toe. De Bank
zal, behoudens voor zover in de overeenkomst anders is bepaald, de dividendbaten zo
spoedig mogelijk na betaalbaarstelling daarvan aan lessee doen toekomen, (...). Ingeval van een keuze-dividend zal de keuze van de Bank worden bepaald door lessee, behoudens voor zover in de overeenkomst anders is bepaald. Indien met betrekking tot de waarden andere rechten kunnen worden uitgeoefend zullen deze rechten ter keuze van de Bank worden uitgeoefend.
(…)
10. Indien lessee aan al zijn verplichtingen uit de overeenkomst heeft voldaan, zullen de
waarden aan lessee worden uitgeleverd, tenzij lessee alsdan mededeelt de voorkeur te
geven aan de verkoop van de waarden. De verkoopopbrengst zal in dat geval door
de Bank aan lessee worden uitbetaald. Verkoop vindt zo spoedig mogelijk na
opdracht daartoe plaats.
(…)”.
3. Het geschil en de beoordeling daarvan
3.1. [gedaagde] is van mening dat de rechtbank niet bevoegd is om van de onderhavige vordering kennis te nemen nu de onderhavige overeenkomst valt te kwalificeren als huurkoopovereenkomst. Dexia heeft zich ten aanzien van de bevoegdheidskwestie gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.2. De tussen partijen gesloten overeenkomst dient als huurkoopovereenkomst gekwalificeerd te worden indien deze voldoet aan de criteria van artikel 7A: 1576h jo. 7A:1576 BW. De rechtbank overweegt hieromtrent het navolgende.
De tussen [gedaagde] en Dexia gesloten overeenkomst, aangegaan bij onderhandse akte die voldoet aan de bepalingen van artikel 7A:1576j BW, voorziet in betaling van de koopprijs in termijnen, dit volgt uit het in artikel 3 van Pro de overeenkomst opgenomen betalingsschema. Voorts volgt uit de artikelen 5 van de overeenkomst en 10 van de Bijzondere Voorwaarden dat is overeengekomen dat de verkochte zaak niet door enkele aflevering in eigendom overgaat maar dat de eigendom van de effecten, automatisch en van rechtswege, overgaat door vervulling van de opschortende voorwaarde van algehele betaling van hetgeen [gedaagde] uit hoofde van de koopovereenkomst verschuldigd is.
Uit artikel 3 van Pro de Bijzondere Voorwaarden volgt bovendien dat [gedaagde] het economisch risico draagt met betrekking tot de koersverschillen van de effecten, dat hem in beginsel het dividend en de andere baten van de effecten toekomen en dat hij degene is die in beginsel in het geval van een keuzedividend de keuze bepaalt, zodat kan worden geconcludeerd dat [gedaagde] ook het voor koop op afbetaling c.q. huurkoop kenmerkende gebruiksrecht heeft verkregen.
Het feit dat aandelen als vermogensrechten zijn aan te merken doet aan het voorgaande niets af nu uit artikel 7A:1576 lid 5 BW volgt dat titel 5A van boek 7A, welke titel primair betrekking heeft op de koop op afbetaling en huurkoop van zaken, van overeenkomstige toepassing is op vermogensrechten, voor zover dat in overeenstemming is met de aard van het recht zodat uitgangspunt dient te zijn dat effecten onderwerp kunnen zijn van koop op afbetaling en daarmee ook van huurkoop.
3.3. Teneinde te kunnen vaststellen of er sprake is van huurkoop dient nog duidelijkheid te worden verschaft omtrent de vraag of er in casu ingevolge artikel 17 Wge Pro een bijschrijving op naam van [gedaagde] in de administratie van de betrokken instelling heeft plaatsgevonden, waarmee is voldaan aan het vereiste van aflevering van de effecten aan [gedaagde]. De rechtbank zal de zaak derhalve naar na te noemen rolzitting verwijzen teneinde Dexia in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de vraag of voornoemde bijschrijving in de administratie daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. [gedaagde] zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld te reageren.
4. De beslissing
De rechtbank:
verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 22 februari 2006 teneinde Dexia in de gelegenheid te stellen zich uit te laten zoals hiervoor onder 3.3. vermeld;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. N. van der Ploeg-Hogervorst en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 25 januari 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.
AIJ