3.1. Regie vordert, kort samengevat, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad en na een wijziging van eis:
- primair schorsing van de executie van het vonnis van 19 oktober 2005 in afwachting van de beslissing van het gerechtshof in de appelzaak;
- subsidiair schorsing van de executie van voormeld vonnis in afwachting van de beslissing van het gerechtshof in het incident;
- veroordeling van De Zwart in de kosten van het geding.
Regie stelt daartoe dat de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis dient te worden geschorst aangezien er in dat vonnis sprake is van een kennelijke feitelijke misslag, zodat een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.
De rechtbank heeft in het vonnis geconcludeerd dat uit de TZZ afrekeningen volgt dat de in de afrekening opgenomen ritten in opdracht van Regie door De Zwart zijn gereden en derhalve voor vergoeding in aanmerking komen. Echter op basis van de overgelegde TZZ afrekeningen is volledig tussen partijen afgerekend, zodat de vordering van De Zwart hierop niet kan zijn gebaseerd. Op basis van die afrekeningen diende door Regie een bedrag van € 526.329,61 aan De Zwart te worden voldaan. De Zwart heeft dit bedrag ook uitgekeerd gekregen. De rechtbank gaat er in haar vonnis, zonder verder in te gaan op het verweer van Regie en onder het passeren van een bewijsaanbod van Regie terzake, wel vanuit dat de vordering van De Zwart is te herleiden tot die afrekeningen. De rechtbank heeft derhalve de aan haar beslissing ten grondslag gelegde motivering op geen enkele wijze gecheckt.
De door Regie gezonden afrekeningen bevatten voorlopige en definitieve afrekeningen en deze worden door De Zwart bij elkaar opgeteld, terwijl dat niet de bedoeling is. Op basis van de overgelegde stukken, waaronder die van De Zwart, blijkt dat De Zwart er van op de hoogte is dat sommige afrekeningen definitief zijn en sommige voorlopig.
Voorts is de vordering van De Zwart, in tegenstelling tot hetgeen in voormeld vonnis is opgenomen, gebaseerd op zogenaamde wilde ritten, namelijk ritten die niet in opdracht van Regie zijn gereden, maar waarvoor De Zwart wel betaald wenst te krijgen.
3.2. De Zwart betwist dat sprake is van een kennelijke misslag in het vonnis van 19 oktober 2005. Evenmin is sprake van na het vonnis gebleken feiten die een noodtoestand doen ontstaan bij executie voor Regie.
De vordering in de bodemprocedure is gebaseerd op de TZZ afrekeningen, zoals die door Regie aan De Zwart zijn gezonden. De administratie van Regie is een puinhoop en dit is vrijwel niet meer te controleren door De Zwart. De Zwart heeft de van Regie ontvangen afrekeningen opgeteld en dubbeltellingen eruit gezeefd en het aldus gevonden bedrag, € 838.844,30, verminderd met de van Regie ontvangen bedragen, hetgeen in het gevorderde bedrag heeft geresulteerd. Hieruit volgt dat De Zwart niet alle in opdracht van Regie gereden ritten betaald heeft gekregen. De Zwart betwist dat er ten aanzien van de door Regie verzonden TZZ afrekeningen sprake is van voorlopige en definitieve afrekeningen.
De Zwart betwist dat er door haar ritten zijn gereden die niet voor betaling door Regie in aanmerking komen, de zogenaamde wilde ritten.