ECLI:NL:RBMID:2006:AZ0928

Rechtbank Middelburg

Datum uitspraak
29 maart 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
36626 HA ZA 02-532
Instantie
Rechtbank Middelburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering opdracht onderbouw scheidingsinstallatie onterecht wegens core-business Sagro

In deze civiele zaak vordert Sagro Holding Zeeland B.V. vergoeding wegens het niet verkrijgen van opdrachten, waaronder een opdracht tot het maken van de onderbouw van een scheidingsinstallatie. De rechtbank beoordeelt of Sagro deze opdracht ten onrechte heeft geweigerd en of deze opdracht tot haar core-business behoort.

De rechtbank stelt vast dat Sagro op haar website en in het handelsregister aangeeft ruime ervaring te hebben met hei-, beton- en bouwkundige werken, hetgeen tot haar core-business behoort. Hoewel Sagro stelt dat zij deze werkzaamheden veelal in onderaanneming laat uitvoeren, leidt dit niet tot het oordeel dat deze opdrachten niet tot haar core-business behoren.

De rechtbank concludeert dat Sagro de opdracht tot het maken van de onderbouw ten onrechte heeft geweigerd en daardoor in schuldeisersverzuim is. De schade die Sagro stelt te hebben geleden door het niet verkrijgen van opdrachten wordt toegerekend aan haar eigen handelen. De vordering wordt daarom afgewezen en Sagro wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering van Sagro wordt afgewezen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG
Sector civiel recht
Vonnis van 29 maart 2006 in de zaak van:
rolnr: 532/02
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Sagro Holding Zeeland B.V.,
kantoorhoudende te ’s-Heerenhoek, gemeente Borsele,
eiseres (hierna: Sagro),
procureur: mr. S.D. Spruijt,
tegen:
1. de vennootschap onder firma Kombinatie Middelplaat Westerschelde V.O.F,
gevestigd te ’s-Hertogenbosch en kantoorhoudend te Hoek, gemeente Terneuzen,
alsmede haar beherende vennoten:
2. de naamloze vennootschap Heymans N.V.,
gevestigd en kantoorhoudend te Rosmalen,
3. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging Wayss & Freytag A.G.,
gevestigd en kantoorhoudend in Frankfurt, Duitsland,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid TBI Beton- en Waterbouw Voormolen B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
5. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging S.A. Franki Construct N.V.,
gevestigd te Luik, België, en
6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BAM NMB Beton-Industrie-bouw B.V.,
gevestigd te Breda,
gedaagden (hierna in enkelvoud: KMW),
procureur: mr. I.P. de Groot.
1. Het verdere verloop van de procedure
Bij tussenvonnis van 12 oktober 2005 is de zaak aangehouden, opdat Sagro zich bij akte kon uitlaten. Vervolgens heeft Sagro een akte genomen.
2. De verdere beoordeling van het geschil
2.1. In haar akte gaat Sagro eerst in op – en betwist zij – hetgeen de rechtbank in haar tus-senvonnis heeft overwogen met betrekking tot de gestelde incomplete offerte inzake het de-monteren en afvoeren van de zgn. blindringen. Sagro was evenwel niet in de gelegenheid gesteld op die overwegingen te reageren. Voorts geldt dat Sagro in haar akte slechts verwijst naar en citeert uit al eerder ingediende processtukken; zij doet geen beroep op nieuwe omstan-digheden. Al om deze twee redenen ziet de rechtbank in hetgeen haar aldus wordt aangereikt geen grond om haar oordeel te wijzigen; zij blijft bij hetgeen zij in voormeld tussenvonnis omtrent de bedoelde incomplete offerte heeft overwogen.
2.2. Voorts laat Sagro zich – zoals haar was gevraagd – uit over mededelingen op haar web-site, waarnaar KMW in haar laatste akte ter onderbouwing van haar stellingen heeft verwezen. Die verwijzing vond plaats in het kader van aan KMW toegelaten bewijs; zij diende (voor zo-ver thans van belang) te bewijzen dat Sagro (onder meer) een opdracht tot het maken van de onderbouw van een scheidingsinstallatie ten onrechte had geweigerd omdat die opdracht wel haar core-business betrof. In haar tussenvonnis heeft de rechtbank reeds overwogen dat het door KMW aangedragen bewijs – getuigenverklaringen en uittreksels uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Zeeland – wijzen in de richting van het wel tot de core-business van Sagro behoren van deze opdracht. De verklaringen van door Sagro voorgebrachte getuigen riepen daaromtrent evenwel weer twijfel op; echter constateerde de rechtbank ook dat hetgeen door laatstgenoemde getuigen was verklaard niet overeen kwam met de – door KMW genoemde – website van Sagro, waarin Sagro zelf stelt “ruime ervaring te hebben opgedaan met uitvoeren van hei- beton- en bouwkundige werken”. Uit die “ruime ervaring” mag immers worden afgeleid dat betonbouw wèl tot de core-business van Sagro behoort.
2.3. Sagro erkent in haar akte dat voormelde zinsnede op haar website stond. Zij betwist ook niet de daar genoemde “ruime ervaring”. Zij stelt wel dat zij de bedoelde hei- beton- en bouw-kundige werken veelal in onderaanneming laat uitvoeren. Dat stond evenwel niet op de web-site. Op grond van de inhoud van door KMW overgelegde stukken – uittreksels uit het han-delsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Zeeland en voormelde website – moet naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat Sagro zelf naar buiten uitdroeg dat de uitvoering van opdrachten in de sfeer van betonbouw één van haar activiteiten was – en derhalve tot haar core-business behoren. Onder die omstandigheden zal het feit dat Sagro (kennelijk) zelf geen expertise voor dit soort opdrachten in huis heeft en deze in onderaanne-ming laat uitvoeren, niet tot het oordeel kunnen leiden dat die opdrachten toch niet tot haar core-business behoren.
2.4. Aldus staat als voldoende bewezen vast dat Sagro de opdracht tot het maken van de on-derbouw van een scheidingsinstallatie ten onrechte heeft geweigerd omdat die opdracht wel haar core-business betrof. Ten aanzien van die opdracht – met een waarde van € 541.716,-- – staat vast dat Sagro in schuldeisersverzuim was. Zoals reeds in het tussenvonnis onder 2.5 overwogen, moet thans worden vastgesteld dat Sagro het niet hebben gekregen van opdrach-ten tot in ieder geval een bedrag van € 783.127,07 aan zichzelf te wijten heeft. Had zij deze opdrachten wel aangenomen, dan had zij voor het volle, tussen partijen overeengekomen be-drag van € 680.670,32 opdrachten gekregen.
2.5. Gelet op het hiervoor overwogene stelt de rechtbank vast dat de door Sagro gestelde schade aan haarzelf is te wijten. De vordering tot vergoeding ervan door KMW zal worden afgewezen. Sagro zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.
3. De beslissing
De rechtbank:
- wijst de vordering af;
- veroordeelt Sagro – uitvoerbaar bij voorraad – in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van KMW begroot op € 3.632,-- aan griffierecht en € 10.000,-- aan salaris procureur.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.M.J. van Dijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 29 maart 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.
SD