ECLI:NL:RBMID:2006:AZ5777

Rechtbank Middelburg

Datum uitspraak
21 december 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05/1407
Instantie
Rechtbank Middelburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:88 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen afwijzing herzieningsverzoek inzake bestuursrechtelijke uitspraak

De indiener van het verzet heeft verzocht om herziening van een onherroepelijke uitspraak van de rechtbank van 2 maart 1995, waarin zijn beroepen tegen besluiten van het bestuur van de Nieuwe Industriële Bedrijfsvereniging ongegrond werden verklaard. De rechtbank heeft het herzieningsverzoek afgewezen omdat de vermeende nieuwe feiten, voortkomend uit tuchtrechtelijke procedures tegen een orthopedisch chirurg, geen feiten zijn die voor de oorspronkelijke uitspraak onbekend waren en ook geen andere uitkomst zouden rechtvaardigen.

De procedures bij het Regionaal en Centraal Tuchtcollege vonden na de oorspronkelijke uitspraak plaats en betreffen een nadere waardering van reeds bekende feiten, waardoor deze niet als nieuwe feiten in de zin van artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht kunnen worden beschouwd. De rechtbank heeft het verzet tegen de afwijzing van het herzieningsverzoek behandeld en geoordeeld dat het verzoek terecht kennelijk ongegrond is verklaard.

De rechtbank heeft het verzet ongegrond verklaard en benadrukt dat tegen deze uitspraak geen hoger beroep mogelijk is. Hiermee blijft de oorspronkelijke uitspraak van 2 maart 1995 ongewijzigd van kracht.

Uitkomst: Het verzet tegen de afwijzing van het herzieningsverzoek wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG
sector bestuursrecht
enkelvoudige kamer
____________________________________________________
UITSPRAAK
met toepassing van artikel 8:55
van de Algemene wet bestuursrecht
____________________________________________________
Reg.nr.: Awb 05/1407
Verzet van: [indiener van het verzet], wonende te Ouddorp, indiener van het
verzetschrift.
I. Procesverloop
Bij uitspraak van 2 maart 1995 heeft de rechtbank de beroepen van de indiener van het verzetschrift (verder: [indiener van het verzet]) tegen de besluiten van het bestuur van de Nieuwe Industriële Bedrijfsvereniging (thans: de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen) van 19 oktober 1993 (AAW/WAO 93/732) en 19 april 1994 (AAW/WAO 94/432) ongegrond verklaard.
[indiener van het verzet] heeft hiertegen geen hoger beroep ingesteld, zodat genoemde uitspraak na het verstrijken van de daarvoor geldende termijn onherroepelijk is geworden.
Bij verzoekschrift van 12 maart 2002 heeft [indiener van het verzet] om herziening van de uitspraak van 2 maart 1995 verzocht. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen.
[indiener van het verzet] heeft op 15 december 2005 opnieuw een verzoek tot herziening ingediend.
Bij uitspraak van 24 maart 2006 heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het verzoek tot herziening ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [indiener van het verzet] bij schrijven van 26 april 2006, ontvangen op 28 april 2006, verzet gedaan. Hij heeft daarbij aangegeven het verzet mondeling te willen toelichten.
De rechtbank heeft [indiener van het verzet] ter zitting van 2 oktober 2006 gehoord.
2. Overwegingen.
1. In de uitspraak waarvan verzet heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het door [indiener van het verzet] in het kader van zijn herzieningsverzoek als nieuw feit aangevoerde – de naar aanleiding van een klacht van [indiener van het verzet] tegen orthopedisch chirurg E.T. Schuijt, die in 1994 door de rechtbank als deskundige is aangewezen, gevolgde tuchtrechtelijke procedure heeft dusdanige gegevens opgeleverd die een wezenlijk andere kijk geven op de gegevens zoals die ten tijde van de uitspraak van de rechtbank van 2 maart 1995 bekend waren - geen nieuw feit is in de zin van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb, aangezien de procedures bij het Regionaal Tuchtcollege en het Centraal Tuchtcollege plaatsvonden na de uitspraak van de rechtbank van 2 maart 1995.
2. [indiener van het verzet] heeft in verzet aangevoerd dat de procedures weliswaar hebben plaatsgevonden na de uitspraak van de rechtbank van 2 maart 1995, maar dat de procedures betrekking hebben op de brieven en rapporten waarop het GAK en de rechtbank hun beslissingen destijds baseerden en in zoverre dan ook daadwerkelijk nieuwe informatie opleveren, omdat de gegevens uit de tuchtrechtelijke procedure een ander licht op werpen op die brieven en rapporten.
3. De rechtbank stelt voorop dat verzet als bedoeld in artikel 8:55 van Pro de Awb uitsluitend de vraag betreft of de rechtbank ten onrechte tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan wegens – in dit geval – de kennelijke ongegrondheid van het herzieningsverzoek. “Kennelijk” in artikel 8:54 van Pro de Awb betekent dat over de uitkomst van de procedure in redelijkheid geen twijfel mogelijk is. In dit kader overweegt de rechtbank het volgende.
4. Ingevolge art. 8:88, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de rechtbank eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
5. De rechtbank heeft in haar uitspraak waarvan verzet met juistheid vastgesteld dat, gelet op de datum van de uitspraken van de Tuchtcolleges, deze uitspraken op zich geen nieuw feit opleveren.
Zoals [indiener van het verzet] terecht aanvoert hebben de procedures bij het Tuchtcollege weliswaar betrekking op feiten of omstandigheden van vóór de uitspraak van de rechtbank op 2 maart 1995, maar het over die feiten en omstandigheden gegeven oordeel betreft een nadere waardering daarvan, bezien vanuit tuchtrechterlijk oogpunt, en levert in zoverre evenmin een nieuw feit in vorenbedoelde zin op.
De rechtbank heeft destijds geoordeeld dat haar beslissingen konden worden gebaseerd op de bevindingen van orthopaedisch chirurg Schuijt. Daarbij heeft zij een beoordeling gemaakt van de vraag of de nodige zorgvuldigheid is betracht bij het medisch onderzoek, welke vraag bevestigend is beantwoord. Het enkele gegeven dat er in het kader van een tuchtrechterlijke beoordeling van het plaatsgevonden hebbende deskundigenonderzoek andere gegevens naar voren zijn gekomen, betekent niet dat sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden in de zin van artikel 8:88 van Pro de Awb.
6. Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het herzieningsverzoek van [indiener van het verzet] bij uitspraak van 24 maart 2006 terecht kennelijk ongegrond is verklaard. Het daartegen ingediende verzet wordt ongegrond verklaard.
III. Uitspraak
De Rechtbank Middelburg,
verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2006 door mr. I. Dijkman, in tegenwoordigheid van W.J. Steenbergen, griffier.
Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Afschrift verzonden op: