ECLI:NL:RBMID:2006:AZ8230

Rechtbank Middelburg

Datum uitspraak
14 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
54494 KG 194 / 2006
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • M.C. de Regt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:245 BW
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verbod op doop minderjarige onder voogdij Bureau Jeugdzorg

De biologische vader van een minderjarige vorderde in kort geding dat gedaagden, waaronder Stichting Jeugdzorg Zeeland als voogd, werd verboden om toestemming te geven voor de doop van de minderjarige binnen vijf jaar, onder dreiging van een dwangsom. De minderjarige woont in een pleeggezin en staat onder voogdij van BJZ sinds de moeder uit het ouderlijk gezag is ontheven.

De vader stelde dat de minderjarige zelf moet kunnen kiezen welk geloof hij wil aanhangen en dat een vroege doop die keuzevrijheid belemmert. Gedaagden betwistten dit en stelden dat de minderjarige zelf de wens heeft geuit om gedoopt te worden, mede vanwege zijn opgroeien in een rooms-katholieke omgeving en de wens van de biologische moeder.

De voorzieningenrechter overwoog dat BJZ als voogd zeggenschap heeft over persoonlijke kwesties zoals de doop. De belangenafweging leidde tot de conclusie dat het belang van de vader niet zwaar genoeg weegt tegenover het belang van de minderjarige en de voogd. De doop beperkt de keuzevrijheid van de minderjarige niet, omdat hij later vrij is een ander geloof te kiezen. De vordering werd afgewezen en de vader werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot verbod op doop wordt afgewezen en de vader wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG
Sector civiel recht, voorzieningenrechter
Vonnis van 14 november 2006 in de zaak van:
Kort gedingnr.:194[eiser]
[eiser],
wonende te Rotterdam,
eiser,
procureur: mr. C.J. IJdema,
advocaat: mr. E.J.M. Habets,
tegen:
1. de stichting Bureau Jeugdzorg Zeeland,
gevestigd te Middelburg,
2. [gedaagde 2] en [gedaagde 3],
beiden wonende te Kloosterzande,
gedaagden,
procureur: mr. D.J.A. Burlet.
1. Het verloop van het geding
Partijen worden verder aangeduid als [eiser], gedaagden c.q. BJZ, [gedaagde 2] en [gedaagde 3]
Het dossier bevat de volgende processtukken:
- dagvaarding met bijlagen;
- aanvullende dagvaarding/herstelexploot;
- brief van mr. Habets d.d. 1 november 2006 met stukken
- een stuk, ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 7 oktober 2006 overgelegd door mr. Habets;
- schriftelijk verweer met stukken, ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 7 oktober 2006 overgelegd namens BJZ.
De feiten
2.1. [eiser] is de biologische vader van de minderjarige [de minderjarige], hierna: [de mindejarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]. [de mindejarige] is in januari 2000 onder toezicht van Stichting Jeugdzorg Den Bosch geplaatst. De biologische moeder van [de mindejarige] is in 2003 uit het ouderlijk gezag ontheven en voornoemde stichting is benoemd tot voogdes. [de mindejarige] woont sinds 2001 in het pleeggezin van [gedaagde 2] en [gedaagde 3]
2.2. Tussen [eiser] en [de mindejarige] bestaat thans een omgangsregeling, die inhoudt dat [de mindejarige] één weekend per vijf weken bij [eiser] verblijft.
2.3. Inmiddels is, wegens een verhuizing van het pleeggezin, BJZ tot voogdes over [de mindejarige] benoemd.
2.4. De gezinsvoogd, de heer [gezinsvoogd], heeft bij brief d.d. 12 oktober 2006 aan [eiser] medegedeeld dat BJZ toestemming heeft gegeven voor de doop van [de mindejarige].
2.5. [eiser] is niet praktiserend moslim en de biologische moeder van [de mindejarige] komt uit een rooms-katholiek gezin.
3. Het geschil
3.1. [eiser] vordert, kort weergegeven, gedaagden te verbieden (om toestemming te geven aan wie dan ook) [de mindejarige] te laten dopen binnen een periode van 5 jaar op straffe van een dwangsom. Hij stelt daartoe dat hij het voor de ontwikkeling van [de mindejarige] van belang acht dat hij zelf een keuze kan maken betreffende het aanhangen van een geloof, ongeacht welk geloof, en dat hij daarvoor thans nog te jong is. Het thans laten dopen van [de mindejarige] vormt hierin een belemmering en is derhalve niet in zijn belang.
3.2. Gedaagden hebben verweer gevoerd. Zij stellen dat [de mindejarige] zelf heeft aangegeven gedoopt te willen worden en betwisten dat het gedoopt zijn een belemmering zal vormen als hij zich in de toekomst zou willen bekeren tot een ander geloof.
4. De beoordeling
4.1. Uitgangspunt bij beoordeling van het onderhavige geschil is dat de voogdij over de minderjarige [de mindejarige] berust bij BJZ. Deze stichting heeft gelet op het bepaalde in artikel 1:245 BW Pro zeggenschap over kwesties die de persoon van de minderjarige betreffen, waaronder ook het (laten) dopen van de minderjarige valt. Nu [eiser] middels het aanspannen van dit kort geding tracht de doop, waarvoor door BJZ inmiddels toestemming is gegeven, te voorkomen, zal de voorzieningenrechter in het navolgende overgaan tot een belangenafweging op basis van de zijdens beide partijen aangevoerde argumenten. Hij overweegt daarbij dat het belang van [de mindejarige] uiteraard voorop staat.
4.2. [eiser] legt in feite aan zijn vordering ten grondslag dat hij het van belang vindt dat [de mindejarige], zodra hij op een leeftijd is dat hij daartoe in staat is, zelf moet kunnen kiezen of en zo ja, welk geloof hij wenst aan te hangen. Voorts heeft hij ter gelegenheid van de mondelinge behandeling aangegeven zelf niet gelovig te zijn opgevoed en geen contact meer te hebben met zijn ouders. Het belang dat [eiser] aanvoert is derhalve niet ingegeven door een eigen religieuze levensovertuiging waar hij [de mindejarige] op de een of andere manier deelgenoot van wil laten zijn als onderdeel van zijn afkomst.
Door gedaagden is onweersproken gesteld dat [de mindejarige] zelf heeft aangegeven gedoopt te willen worden. De vraag in welke mate het aspect van de geloofsovertuiging heeft bijgedragen aan deze wens is voor de onderhavige beoordeling niet van doorslaggevend belang. [de mindejarige] groeit op in een rooms-katholieke omgeving (zowel pleeggezin als school zijn rooms katholiek) en voor een kind van zijn leeftijd is het belangrijk om niet het gevoel te hebben daarbuiten te vallen en dus deel te kunnen nemen aan de daarbij behorende activiteiten en festiviteiten. De doop maakt daarvan onderdeel uit. Daarbij komt dat het ook de wens is van de biologische moeder van [de mindejarige], die uit een rooms katholiek gezin komt, dat hij gedoopt wordt. In die zin past de doop dus ook bij zijn afkomst.
De door [eiser] aangevoerde keuzevrijheid van [de mindejarige] betreffende religie wordt bovendien niet beperkt c.q. aangetast door de doop. Indien [de mindejarige] later geen of een ander geloof wenst aan te hangen staat hem dat vrij.
De voorzieningenrechter is gelet op het vorenstaande van oordeel dat het belang van [eiser] bij het verbieden van de doop niet zwaar genoeg weegt, zodat zijn vorderingen zullen worden afgewezen.
4.3. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst het gevorderde af;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding tot aan deze uitspraak aan de zijde van BJZ begroot op € 248,-- wegens griffierechten en € 1.054,-- wegens procureurssa-laris.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. de Regt, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzit-ting van 14 november 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.
AIJ