ECLI:NL:RBMID:2006:BP4662
Rechtbank Middelburg
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verdeling van huwelijksgemeenschap en bewijsopdracht over contante betaling na echtscheiding
Partijen, met verschillende nationaliteiten, zijn in 1978 in België getrouwd zonder rechtskeuze voor huwelijksvermogensrecht; hun eerste huwelijksdomicilie was Nederland. Na hun echtscheiding in 2004 ontstond onenigheid over de verdeling van de huwelijksgemeenschap, waaronder de verkoopopbrengst van de woning, bankrekeningen, inboedel en andere goederen.
De rechtbank oordeelt dat Nederlands recht van toepassing is vanwege het eerste huwelijksdomicilie. De verkoopopbrengst van de woning wordt gelijk verdeeld, maar de gevorderde gebruiksvergoeding wordt afgewezen omdat alleen de ex-echtgenoot feitelijk beschikking had over de woning. Over bankrekeningen wordt geoordeeld dat de ex-echtgenoot bewijs moet leveren over contante betalingen van €6.000, terwijl de andere partij bewijs moet leveren over een bedrag van €3.000.
Verder worden diverse andere vermogensbestanddelen zoals spaarloonrekening, overlijdensrisicoverzekeringen, voertuigen, inboedel en belastingaanslagen verdeeld of toegewezen met specifieke waarderingen. De nalatenschap van de vader van de ex-echtgenote valt niet in de gemeenschap volgens het Nederlandse huwelijksvermogensrecht. De zaak wordt aangehouden voor bewijslevering en getuigenverhoor over de contante betalingen.
Uitkomst: De rechtbank wijst de gevorderde gebruiksvergoeding af en bepaalt de verdeling van de huwelijksgemeenschap onder Nederlands recht, met bewijsopdracht over contante betalingen en aanhouding van verdere beslissingen.