ECLI:NL:RBMID:2007:BB0584

Rechtbank Middelburg

Datum uitspraak
19 juli 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06/1211
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19e lid 3 WavArt. 2 lid 1 WavArt. 8:67 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling aard termijn in artikel 19e lid 3 Wet arbeid vreemdelingen

De rechtbank Middelburg behandelde op 19 juli 2007 een bestuursrechtelijke zaak waarin eiser bezwaar maakte tegen een boete van €16.000 wegens overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Het geschil spitste zich toe op de vraag of de termijn van 13 weken genoemd in artikel 19e, derde lid, Wav een fatale of een termijn van orde is.

De rechtbank concludeerde dat de wettekst noch de Memorie van Toelichting aanleiding geeft om de termijn als fataal te kwalificeren. Ook zijn er geen sancties verbonden aan het overschrijden van deze termijn. De termijn dient als aansporing voor het bestuursorgaan om het ‘lik-op-stuk’-beleid effectief uit te voeren.

Op basis hiervan verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en bevestigde het besluit tot handhaving van de boete. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak bevat tevens een rechtsmiddelenclausule voor hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot handhaving van de boete blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG
Sector bestuursrecht
Procedurenummer: AWB 06/1211
Uitspraakdatum: 19 juli 2007
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer
voor bestuursrechtelijke zaken
ingevolge artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht
inzake
[eiser]
wonende te [adres]
eiser,
gemachtigde mr. D. Schilstra, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden,
tegen
de Staatssecretaris voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
te ‘s-Gravenhage,
verweerder.
Het bestreden besluit
Het besluit op bezwaar van 13 oktober 2006 van verweerder inhoudende handhaving van een besluit van 10 juli 2006 waarbij aan eiser een boete is opgelegd van € 16.000,-- wegens 4 overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav).
Zitting
Het beroep is op 19 juli 2007 behandeld ter zitting. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.P. Berg, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. M.C. Puister.
Na de sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank mondeling uitspraak gedaan. Daarbij is vermeld welk rechtsmiddel kan worden aangewend.
1. Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
2. Overwegingen:
De rechtbank stelt vast dat het enige punt van geschil is het antwoord op de vraag of de in artikel 19e, derde lid, van de Wav bepaalde termijn van 13 weken een termijn van orde dan wel een fatale termijn is. Eiser stelt dat sprake is van een fatale termijn. Naar het oordeel van de rechtbank dwingt de wettekst niet tot een uitleg dat sprake is van een fatale termijn en ook de Memorie van Toelichting (Tweede kamer, vergaderjaar 2003 – 2004, 29523, nr. 3) biedt hier geen steun aan. Daar komt bij dat aan een termijnoverschrijding geen gevolgen zijn verbonden. Naar het oordeel van de rechtbank is genoemde termijn dan ook aan te merken als een termijn van orde. De termijn is een aansporing voor het bestuursorgaan om het zogeheten ‘lik-op-stuk’-beleid waaraan in de Memorie van Toelichting wordt gerefereerd, vorm te geven.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder het bezwaar terecht ongegrond heeft verklaard. Het beroep is dan ook ongegrond.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier de rechter
mr. M.H.Y. Bos mr. G.H. Nomes
Afschrift verzonden op: 26 juli 2007
Rechtsmiddelenclausule
Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen.
Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage, binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal van de mondelinge uitspraak.