ECLI:NL:RBMID:2008:BI1495

Rechtbank Middelburg

Datum uitspraak
10 december 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
63247/ HA ZA 08-282
Instantie
Rechtbank Middelburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.C. de Regt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verjaring van een geldlening tussen familieleden en de gevolgen voor de vordering

In deze zaak, die werd behandeld door de Rechtbank Middelburg, ging het om een geschil over de verjaring van een geldlening die in 1965 was afgesloten tussen ouders en hun zoon. De zoon had een bedrag van fl. 50.000,00 geleend, dat later omgezet werd in een geldlening zonder vastgestelde aflossingstermijn. Na het overlijden van de ouders resteerde er op 15 september 1987 nog een schuld van fl. 28.225,00, vermeerderd met 6% samengestelde rente. De eiseres, die ook een erfgenaam was, vorderde betaling van gedaagden, de erfgenamen van de overleden zoon, maar de gedaagden voerden verweer op basis van verjaring.

De rechtbank oordeelde dat de vordering van de eiseres was verjaard. De gedaagden stelden dat de lening op elk moment kon worden opgeëist, rekening houdend met een waarschuwingstermijn van zes maanden. De rechtbank concludeerde dat de verjaringstermijn van 20 jaar was ingegaan na de laatste aflossing in 1980, en dat de eiseres niet tijdig stuitende handelingen had verricht. De rechtbank erkende de bijzondere omstandigheden van de familieverhouding, maar oordeelde dat dit niet voldoende was om de verjaring te stuiten.

Uiteindelijk wees de rechtbank de vordering van de eiseres af en veroordeelde haar in de proceskosten. De kosten aan de zijde van de gedaagden werden begroot op € 1.818,00. Dit vonnis benadrukt de strikte toepassing van verjaringstermijnen in civiele zaken, zelfs in situaties met emotionele en familiale complicaties.

Uitspraak

Uitspraak
vonnis
RECHTBANK MIDDELBURG
63247 / HA ZA 08-282
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 63247 / HA ZA 08-282
Vonnis van 10 december 2008
in de zaak van
[eiseres],
wonende te Asten,
eiseres,
advocaat mr. G.L. Brokking-van Alphen te Valkenswaard,
tegen
1. [gedaagde 1],
wonende te Kloosterzande,
gedaagde,
advocaat mr. H.A.M.J. Loeffen te Geldrop,
2. [ gedaagde 2],
wonende te Vlijmen,
gedaagde,
niet verschenen,
3. [ gedaagde 3],
wonende te Kloosterzande,
gedaagde,
niet verschenen,
4. [ gedaagde 4],
wonende te Amsterdam Zuidoost,
gedaagde,
niet verschenen,
5. [ gedaagde 5],
wonende te Rotterdam,
gedaagde,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna [ eiseres] en [gedaagden] genoemd worden.
De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 13 augustus 2008
het proces-verbaal van comparitie van 12 november 2008;
de brief van mr G.L. Brokking- van Alphen d.d. 21 oktober 2008 met bijlagen.
De feiten
Op 26 november 1965 hebben de heer en mevrouw [ouders gedaagde] het hotel met woonhuis, vergaderzaal en erf, staande en gelegen te Hontenisse-Kloosterzande verkocht aan hun zoon [echtgenoot gedaagde 1]. Van de koopsom is [echtgenoot gedaagde 1] fl. 50.000,00 schuldig gebleven, welke schuld is omgezet in een geldlening. In de geldlening is geen tijdstip van aflossing opgenomen. [echtgenoot gedaagde 1] heeft in de periode van november 1973 tot en met 26 november 1980 op de lening afgelost. Na het overlijden van beide ouders resteerde op 15 september 1987 nog een restantschuld van fl. 28.225,00 te vermeerderen met 6% samengestelde interest. [ eiseres] en [echtgenoot gedaagde 1] waren ieder voor de helft in de nalatenschap gerechtigd. [echtgenoot gedaagde 1] is overleden. [echtgenoot gedaagde 1] en [gedaagden] waren in gemeenschap van goederen gehuwd. De gedaagden sub 2 t/m 5 zijn de uit dat huwelijk geboren kinderen. De schuld van [echtgenoot gedaagde 1] aan [ eiseres] is overgegaan op gedaagden als erfgenamen onder algemene titel. De gedaagden 2 t/m 5 hebben de nalatenschap verworpen.
Het geschil
[ eiseres] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagden, des dat de een betalende de anderen zullen zijn bevrijd, veroordeelt om aan [ eiseres] te betalen € 30.008,12 te vermeerderen met 6% rente, althans de wettelijke rente vanaf 11 februari 2002, althans een bedrag en tijdstip als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren. Zij legt het volgende aan haar vordering ten grondslag. Na het overlijden van haar moeder heeft zij in verband met de familieverhoudingen en de precaire familieomstandigheden de vordering eerst na de verkoop van het hotel in 2002 opgeëist. Zij verwijst naar de door haar als producties 7 overgelegde brieven van 7 februari 2003, 10 april 2003 en 3 juli 2003. Zij stelt zich op het standpunt dat zij een eventuele verjaring tijdig heeft gestuit. Verder is zij van mening dat sprake is van een hypothecaire lening binnen familieverhoudingen zodat een beroep op verjaring om die reden dient te worden afgewezen.
[gedaagden] voert verweer. [gedaagden] heeft de advocaat van [ eiseres] vernomen dat zij haar vordering tegen de kinderen van [gedaagden] (gedaagden 2 t/m 5) niet langer handhaaft. [gedaagden] erkent de door [ eiseres] aan haar vordering ten grondslag gelegde feiten. Zij stelt zich evenwel op het standpunt dat de vordering van [ eiseres] is verjaard. In de akte van geldlening van 26 november 1965 is over een tijdstip voor aflossing niets opgenomen. In de akte staat wel dat de schuldeiser de lening kan opeisen met inachtneming van een waarschuwingstermijn van 6 maanden. De schuldeiser had de lening derhalve op ieder moment kunnen opzeggen en om terugbetaling kunnen verzoeken. In dat geval zou rekening houdende met een termijn van 30 jaar (oud recht) en overgangsrecht verjaring zijn ingetreden op 1 januari 1993. In ieder geval had de lening eind november 1980, althans, wanneer rekening moet worden gehouden met de waarschuwingstermijn van 6 maanden nadat de laatste aflossing had plaatsgevonden, eind mei 1981 kunnen worden opgeëist en is toen een verjaringstermijn van 20 jaar gaan lopen en is eind mei 2001 de verjaring ingetreden. [ eiseres] heeft niet gesteld, noch is gebleken dat in de tussentijd een stuitinghandeling heeft plaatsgevonden. Subsidiair betwist [gedaagden] de hoogte van de vordering. Bij de berekening van de hoogte van de vordering is [ eiseres] ten onrechte uitgegaan van een rente op basis van samengestelde interest in plaats van een contractuele rente. Bovendien heeft zij geen rekening gehouden met het feit dat een vordering tot betaling van rente na 5 jaar verjaart.
De beoordeling
De rechtbank is met [gedaagden] van oordeel dat de vordering van [ eiseres] door verjaring teniet is gegaan. Bepalend voor de aanvang van de verjaring is in beginsel het opeisbaar worden van de vordering. Dit uitgangspunt geldt zowel voor het oude als voor het huidige recht. Onder het oude recht bedroeg de verjaringstermijn 30 jaar. Op grond van artikel 73 van de Overgangswet gold voor lopende verjaringstermijnen het oude recht nog een jaar na de inwerkingtreding van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Daarna heeft het huidige recht toepassing verkregen. Volgens het huidige recht bedraagt de verjaringstermijn 20 jaar. Op grond van artikel 307 lid 2 BW is de verjaringstermijn gaan lopen na aanvang van de dag, volgend op die waartegen de opeising op zijn vroegst mogelijk was. [gedaagden] heeft onweersproken gesteld dat [ eiseres], rekening houdende met een waarschuwingstermijn van 6 maanden, de geldlening eind mei 1981 had kunnen opeisen en dat op dat moment de verjaringstermijn is gaan lopen. Gesteld, noch gebleken is dat [ eiseres] tijdig, dat wil zeggen vóór eind mei 2001, stuitinghandelingen heeft verricht. De door haar als productie 7 overgelegde brieven dateren van daarna. Dat brengt met zich dat de vordering in mei 2001 is verjaard. De rechtbank komt vervolgens toe aan de stelling van [ eiseres] dat in dit soort bijzondere situaties een beroep op verjaring niet gerechtvaardigd is. De rechtbank begrijpt dat [ eiseres] daarbij duidt op het feit dat het een lening van haar ouders aan haar overleden broer betrof en dat zij haar broer tijdens zijn ziekte heeft verzorgd. De rechtbank is met [ eiseres] van oordeel dat het opeisen van een vordering in de door haar geschetste omstandigheden in strijd kan zijn met de redelijkheid en de billijkheid die de rechtsverhouding tussen partijen beheerst. Dat geldt naar het oordeel van de rechtbank evenwel niet voor het uitbrengen van een stuitinghandeling, nu dat niet meer beoogt dan het stuiten van een verjaring en derhalve aanzienlijk minder ingrijpend van aard is.
De rechtbank is derhalve van oordeel dat aan [gedaagden] een beroep op verjaring toekomt en zij zal de vordering van [ eiseres] derhalve afwijzen.
[ eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.
De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden begroot op:
- vast recht 660,00
- salaris procureur 1.158,00 (2 punt × tarief € 579,00)
Totaal € 1.818,00
De kosten aan de zijde van de niet verschenen gedaagden worden begroot op nihil.
De beslissing
De rechtbank
wijst de vordering af,
veroordeelt [ eiseres] in de kosten van het geding welke aan de zijde van [gedaagden] tot aan dit moment worden begroot op € 1.818,00
Bepaalt, nu [gedaagden] met een toevoeging procedeert, dat de betaling van de kosten dient te geschieden door voldoening A. aan de griffier van deze rechtbank: - wegens het in debet gestelde deel griffierecht € 546,00 - wegens procureurssalaris € 1.158,00 B. aan [gedaagden]: - het voor rekening van die partij gekomen deel van het griffierecht ad € 114,00
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. de Regt en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2008.