[eiser] is erin geslaagd te bewijzen dat hij [DB], medewerker van Sinke Komejan, na het eerste bod van [H] op of omstreeks 28 augustus 2003 heeft verzocht om contact met [familie H] op te nemen.
Hij verklaart daarover zelf dat hij de middag nadat zowel [H] als [familie H] de woning hadden bezichtigd, door makelaar [DB] (van Sinke Komejan) is gebeld. [DB] had hem toen gezegd dat [H] een bod van € 440.000,-- kosten koper had gedaan. Hij had daarop geantwoord dat bod niet te accepteren, omdat hij het te laag vond. Hij had toen tegen [DB] gezegd: “ga maar [familie H] bellen of zij een bod uitbrengen en zeg dat [H] een bod heeft uitgebracht.” [DB] had hem daarop gezegd dat hij dat zou doen. Een dag later had [DB] hem teruggebeld en gezegd dat [familie H] van de koop afzag, omdat hij de financiering niet rond kon krijgen.
Aangezien [eiser] als partijgetuige een verklaring omtrent een door hem zelf te bewijzen feit heeft afgelegd, kan zijn verklaring slechts dienen ter aanvulling van ander onvolledig bewijs. Dat andere onvolledige bewijs is gelegen in de getuigenverklaring van zijn echtgenote en in de verklaringen van [DB] en [Se].
Zijn echtgenote verklaart als getuige dat zij erbij was toen [DB] met het bod van [H] belde en dat zij meeluisterde via de intercom. Zij en haar man hadden het bod te laag gevonden en tegen [DB] gezegd: “bel de familie [familie H] op of ze een bod willen doen.” [DB] had gezegd dat hij dat zou doen.
[DB] verklaart als getuige: “De volgende dag heeft [H] gebeld met een bod van ongeveer € 430.000,00. Ik heb [eiser] gebeld. Hij vond het bod te laag. Ik denk dat [familie H] toen ook ter sprake is geweest, maar ik weet niet precies hoe. Na dit telefoongesprek heb ik contact opgenomen met de heer [Se]. De heer [Se] had namelijk eerder contact gehad met de familie [familie H]. De heer [Se] vertelde dat de familie [familie H] nog geen koopbeslissing kon nemen. Dat had hij enkele dagen eerder met hen besproken. Daarop heb ik teruggebeld met de heer [eiser] en heb ik hem dit verteld.”
[Se] verklaart als getuige dat [DB] hem had gebeld om te zeggen dat hij in onderhandeling was met [H]. Hij had toen met [DB] besproken of [familie H] erbij betrokken moest worden en dat daarvan de consequentie zou zijn dat de onderhandelingen met [H] gestopt moesten worden. Hij verklaart verder dat hij zich niet kan herinneren dat [DB] een reden heeft opgegeven waarom hij vroeg of het verstandig was [familie H] erbij te betrekken.
Uit de verklaringen die [DB] en [Se] in contra-enquête hebben afgelegd, kan worden afgeleid dat [DB] in het telefoongesprek, waarin hij het eerste bod van [H] overbracht, met [eiser] over het benaderen van [familie H] heeft gesproken. Er is geen andere reden naar voren gekomen voor het overleg tussen [DB] en [Se] over het betrekken van [familie H] bij de onderhandelingen, terwijl het van de kant van [eiser] logisch is dat hij [familie H] erbij wil betrekken, omdat het bod van [H] ten opzichte van de vraagprijs vrij laag was. Gelet op de verklaringen van [DB] en [Se], aangevuld met de verklaringen van [eiser] en zijn echtgenote staat thans voldoende vast dat [eiser] Sinke Komejan heeft gevraagd contact op te nemen met [familie H] over een bod.