ECLI:NL:RBMID:2009:BK9239

Rechtbank Middelburg

Datum uitspraak
30 november 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
187528
Instantie
Rechtbank Middelburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering immateriële schadevergoeding na letsel door bierglas

In 2008 heeft de gedaagde de eiser met een bierglas in het gezicht geslagen, waardoor eiser letsel opliep. Gedaagde heeft reeds een bedrag van € 816,18 aan eiser vergoed. Eiser vordert een aanvullende vergoeding van € 1.391,02, bestaande uit smartengeld, buitengerechtelijke kosten en kosten voor een hersteloperatie.

De gedaagde betwist de hoogte van de vordering en stelt dat hij reeds voldoende heeft vergoed, wijst de hersteloperatiekosten af wegens mogelijke dubbele vergoeding en beroept zich op rechtsverwerking. Tevens wijst hij op zijn beperkte financiële draagkracht.

De kantonrechter oordeelt dat het beroep op rechtsverwerking faalt en dat immateriële schadevergoeding en hersteloperatiekosten elkaar niet uitsluiten. De immateriële schadevergoeding wordt vastgesteld op € 500, waarvan € 400 reeds is betaald, zodat € 100 resteert. De hersteloperatiekosten van € 670 worden toegewezen. De buitengerechtelijke kosten van € 671,02 worden eveneens toegewezen, ondanks dat deze hoger zijn dan de gebruikelijke incassokostenstaffel.

Gezien het rauwelijks dagvaarden door eiser worden de proceskosten verdeeld, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 1.241,02 plus rente en partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.

Uitspraak

Uitspraak
zaak/rolnr.: 187528 / 09-3671 blad 2
RECHTBANK MIDDELBURG
Sector kanton
[Zaaknummer] [Rolnummer]
Locatie [adres]
zaak/rolnr.: 187528 / 09-3671
vonnis van de kantonrechter d.d. 30 november 2009
in de zaak van
[eiser],
wonende te [adres],
eisende partij,
verder te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. M.R. Minekus,
t e g e n :
[gedaagde],
wonende te [adres],
gedaagde partij,
verder te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. N.A. Koole.
het verloop van de procedure
De procedure is als volgt verlopen:
- dagvaarding van 5 juni 2009,
- akte overlegging producties,
- conclusies van antwoord, repliek en dupliek.
de beoordeling van de zaak
[Eind] 2008 heeft [gedaagde] [eiser] met een bierglas in zijn gezicht geslagen. [eiser] heeft hierdoor letsel opgelopen. [gedaagde] heeft als schadevergoeding een bedrag van € 816,18 aan [eiser] vergoed.
[eiser] vordert betaling van een bedrag van € 1.391,02, te vermeerderen met rente en met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure. Het bedrag van € 1.391,02 bestaat uit smartengeld ad € 250,00, buitengerechtelijke kosten ad € 471,07 en kosten van de hersteloperatie ad € 670,00 [eiser] heeft daartoe gesteld dat hij door het onrechtmatig handelen van [gedaagde] meer schade heeft gelden dan reeds door [gedaagde] is vergoed. De immateriële schade bedraagt volgens hem een bedrag van € 650,00. De buitengerechtelijke kosten bedragen volgens [eiser] € 671,07. Hij procedeert weliswaar met een toevoeging, maar volgens hem wordt de toevoeging met terugwerkende kracht ingetrokken indien de rechtzoekende de kosten van rechtsbijstand kan verhalen op een derde. Voorst stelt [eiser] niet de plicht te hebben van gefinancierde rechtshulp gebruik te maken ter beperking van zijn schade.
[gedaagde] heeft de vordering betwist. Volgens hem heeft hij door € 400,00 aan immateriële schade te vergoeden en € 200,00 aan buitengerechtelijke kosten, aan zijn verplichtingen voldaan. Hij betwist dat [eiser] meer schade heeft geleden dan door hem is vergoed. Volgens hem is een bedrag van € 400,00 in overeenstemming met de ernst van het letsel, te weten één litteken, waarvan niet duidelijk is, of dat blijvend zal zijn. Met betrekking tot de kosten voor een hersteloperatie merkt [gedaagde] op dat die kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat [eiser] heeft gekozen voor een schadevergoeding voor immateriële schade, waaronder het mogelijk blijven bestaan van een litteken. Volgens hem is er sprake van rechtsverwerking. Indien ook nog de kosten voor een hersteloperatie zouden worden toegewezen, leidt dat tot een dubbele vergoeding, aldus [gedaagde]. Met betrekking tot de buitengerechtelijke kosten merkt hij op dat slechts de eigen bijdrage voor vergoeding in aanmerking komt omdat [eiser] procedeert met een toevoeging. Ten slotte wijst [gedaagde] op zijn financieel geringe draagkracht.
De kantonrechter overweegt als volgt. [gedaagde] heeft niet gesteld op grond van welke omstandigheden hij het gerechtvaardigde vertrouwen mocht hebben dat [eiser] geen hogere of anders samengestelde schadevergoeding zou vorderen dan in de brief van 8 maart 2009 is omschreven. Reeds daarom zal het beroep op rechtsverwerking worden verworpen. De kantonrechter is van oordeel dat een vordering tot vergoeding van immateriële schade en een vordering tot vergoeding van de kosten van een hersteloperatie elkaar niet uitsluiten. De vordering tot immateriële schadevergoeding heeft niet alleen betrekking op de mogelijkheid van een blijvend litteken, maar ook op geleden pijn, angst en het ondergaan van medische behandelingen, waaronder de hechting van de wond en de eventuele hersteloperatie. De vordering met betrekking tot de kosten van de hersteloperatie heeft wel invloed op de hoogte van de immateriële schadevordering. In dit geval acht de kantonrechter een immateriële schadevergoeding van € 500,00 passend en geboden. [gedaagde] heeft reeds € 400,00 ter zake van deze post betaald, zodat een bedrag van € 100,00 resteert. Dit bedrag zal worden toegewezen.
Met betrekking tot de kosten van de hersteloperatie is de kantonrechter van oordeel dat deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen. [eiser] heeft schade geleden door het onrechtmatig handelen van [gedaagde] en deze is gehouden de daardoor ontstane schade te vergoeden. De vordering ter zake van deze schadepost zal worden toegewezen tot een bedrag van € 670,00.
Ten aanzien van de gevorderde buitengerechtelijke kosten overweegt de kantonrechter als volgt. Bij de beoordeling van de vraag naar de omvang van de vergoedingsplicht ter zake van buitengerechtelijke kosten speelt de dubbele redelijkheidstoets een rol. De kantonrechter is van oordeel dat de gevorderde buitengerechtelijke kosten aan die dubbele redelijkheidtoets voldoen. Het is weliswaar zo dat de kosten hoger zijn de ‘staffel incassokosten’, maar die staffel heeft betrekking op buitengerechtelijke kosten in het kader van geschillen over zakelijke overeenkomsten, en niet tevens op buitengerechtelijke kosten in het kader van de afwikkeling van -veelal op onrechtmatige daad gebaseerde- letselschadezaken. Bij letselschadezaken zijn buitengerechtelijke kosten bovendien veelal van een geheel andere aard en omvang dan bij de handelszaken, waarop die staffel betrekking heeft. Hoewel die kosten volgens [eiser] € 671,07 bedragen, vordert hij € 671,02. De vordering zal dan ook worden toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 671,02.
[gedaagde] heeft gesteld dat [eiser] is overgegaan tot rauwelijks dagvaarden, omdat hij reeds een gedeelte van de schade had betaald en hij nog bij brief van 20 mei 2009 om inlichtingen had gevraagd ten aanzien van het resterende deel van de beweerdelijk geleden schade. De kantonrechter is van oordeel dat, gelet op die omstandigheden [eiser] inderdaad tot rauwelijks dagvaarden is overgegaan. De kantonrechter zal daarom de proceskosten tussen partijen verdelen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
de beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] om tegen bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.241,02, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf [eind] 2008 tot de dag der voldoening;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat ieder van partijen de eigen proceskosten moet dragen;
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.J.C. van Spronssen, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 november 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.