ECLI:NL:RBMID:2009:BL8122

Rechtbank Middelburg

Datum uitspraak
3 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
Awb 09/246
Instantie
Rechtbank Middelburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.W. Ente
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 7 AOWArt. 13 AOWArt. 13 Verordening (EEG) nr. 1408/71
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling pensioenoverzicht als besluit en verzekeringstijd AOW

Eiser heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de Sociale Verzekeringsbank waarin zijn verzekeringstijd voor de Algemene Ouderdomswet (AOW) werd vastgesteld. Het geschil betreft de vraag of eiser in bepaalde perioden in Nederland verzekerd was voor de AOW, terwijl hij in Duitsland woonde of werkte.

De rechtbank overweegt dat het pensioenoverzicht van 4 november 2008 een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat het rechtsgevolgen heeft. Verweerder heeft gesteld dat eiser in de betwiste perioden niet verzekerd was voor de AOW vanwege zijn verblijf en werkzaamheden in Duitsland.

Eiser voerde aan dat hij sinds 1989 in Nederland woont en zijn gezin ook in Nederland is gevestigd, maar dit leidt volgens de rechtbank niet tot een andere beoordeling. De rechtbank volgt de uitleg van de Europese Verordening (EEG) nr. 1408/71 en bevestigt dat de wetgeving van het land van arbeid geldt, ook als de woonplaats elders is.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat eiser recht heeft op 24% van het volledige AOW-pensioen. Er worden geen proceskosten toegekend. Het vonnis is op 3 december 2009 in het openbaar uitgesproken door mr. A.W. Ente.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het pensioenoverzicht als besluit bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG
Sector bestuursrecht
AWB nummer: 09/246
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken
inzake
[naam]
wonende te [plaats],
eiser,
tegen
het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank,
verweerder.
I. Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen een door verweerder op bezwaar genomen besluit van
12 maart 2009 (het bestreden besluit).
Het beroep is op 21 oktober 2009 behandeld ter zitting. Eiser is daar niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. N. Zuidersma.
Ter zitting is het onderzoek gesloten.
II. Overwegingen
1. In artikel 7 van Pro de Algemene Ouderdomswet (AOW ) is bepaald dat recht op ouderdomspensioen heeft, degene die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en ingevolge de AOW verzekerd is geweest in het tijdvak, aanvangende met de dag waarop de leeftijd van 15 jaar is bereikt en eindigende met de dag voorafgaande aan de dag waarop de leeftijd van 65 jaar is bereikt.
Ingevolge artikel 13, eerste lid, sub a, van de AOW wordt op het ouderdomspensioen een korting van 2% toegepast voor elk kalenderjaar, dat de pensioengerechtigde na het bereiken van de 15-jarige, doch voor het bereiken van de 65-jarige leeftijd, niet verzekerd is geweest.
Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 (hierna: de Verordening) zijn degenen op wie deze Verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één enkele Lid-Staat onderworpen.
In artikel 13, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verordening is bepaald dat onder voorbehoud van de in artikel 14 tot Pro en 17 van de Verordening, op degene die op het grondgebied van een Lid-Staat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die staat van toepassing is, zelfs indien hij op het grondgebied van een andere Lid-Staat woont of indien de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij hij werkzaam is zich bevindt op het grondgebied van een andere Lid-Staat.
Ingevolge artikel 13, tweede lid, aanhef en onder b, van de Verordening is op degene die op het grondgebied van een Lid-Staat werkzaamheden anders dan in loondienst uitoefent, de wetgeving van die Staat van toepassing, zelfs indien hij op het grondgebied van een andere Lid-Staat woont.
2. In verband met een op verzoek van eiser uitgevoerde reconstructie van de Nederlandse en Duitse verzekeringstijdvakken van eiser heeft verweerder een onderzoek ingesteld. Bij besluit van 22 juni 2007 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij in Nederland een verzekeringsperiode voor de Algemene Ouderdomswet (AOW) heeft opgebouwd van 31 jaar, 9 maanden en 13 dagen en dat hij op grond van deze periode op 65-jarige leeftijd recht heeft op 64% van het volledige AOW-pensioen. Bij besluit van 4 november 2008 heeft verweerder een pensioenoverzicht over de periode tot en met 27 augustus 2008 aan eiser toegezonden. Volgens dit pensioenoverzicht is eiser tot en met 27 augustus 2008 negen jaar verzekerd geweest voor de AOW en heeft hij 18% van het volledige AOW-pensioen opgebouwd. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en het besluit herroepen voor de periode van 1 mei 1999 tot en met 31 december 2001. Eiser heeft thans 24% van het volledige AOW-pensioen opgebouwd.
3. Blijkens het bestreden besluit stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser in de periode tot en met 27 augustus 2008 twaalf jaar verzekerd is geweest voor de AOW en 24% van het volledige AOW-pensioen heeft opgebouwd. Ten aanzien van het besluit van 22 juni 2007 stelt verweerder zich op het standpunt, dat daarin een fout is geslopen. Van een bestuursorgaan kan niet verwacht worden dat een eenmaal ingenomen standpunt, dat kennelijk onjuist is, gehandhaafd wordt.
4. Bij de beoordeling of het bestreden besluit in rechte stand kan houden, ziet de rechtbank zich ambtshalve voor de vraag gesteld of het pensioenoverzicht van 4 november 2008 moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ingevolge die bepaling wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Blijkens de toelichting op dit artikel wordt met het begrip rechtshandeling bedoeld: een handeling gericht op rechtsgevolg.
5. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het pensioenoverzicht
van 4 november 2008 een besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb.
Verweerder heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 15 juli 2004 (www.rechtspraak.nl - LJN: AQ5147). Onder verwijzing naar hetgeen de CRvB in evengenoemde uitspraak heeft overwogen, volgt de rechtbank het door verweerder ingenomen standpunt dat het pensioenoverzicht van 4 november 2008 een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is waartegen bezwaarmogelijkheden openstaan.
Dit besluit heeft rechtsgevolg, nu zij erop is gericht de juridische status van eiser vast te stellen omtrent zijn recht op het krijgen van pensioen als bedoeld in de AOW.
6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser in de perioden van 15 juli 1969 tot en met 31 januari 1991 en 1 september 1991 tot en met 31 augustus 2007 niet verzekerd is geweest voor de AOW, omdat hij in Duitsland heeft gewoond, danwel gewerkt.
7. Eiser heeft aangevoerd dat hij sinds 1989 in Nederland woont, zijn vrouw in Nederland werkt en zijn dochter nog steeds onderwijs volgt in Nederland. Eiser begrijpt niet dat deze jaren niet meetellen.
De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.
8. In geschil is de vraag of eiser in de perioden van september 1989 tot 1 februari 1991,
1 september 1991 tot 1 mei 1999 en van 1 januari 2002 tot 1 september 2007 verzekerd is geweest voor de AOW.
9. Niet ter discussie staat dat eiser in de periode van september 1989 tot 1 februari 1991,
1 september 1991 tot 6 juli 1992, 6 juli 1992 tot 1 mei 1999, van 1 januari 2002 tot 3 juni 2005, 3 juni 2005 tot 7 januari 2007 en van 7 januari 2007 tot 1 september 2007 in loondienst dan wel anders dan in loondienst in Duitsland werkzaam is geweest.
10. Gelet hierop en het bepaalde in de Verordening is verweerder naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden tot de conclusie gekomen dat esier in de onder 8 genoemde perioden niet verzekerd is geweest ingevolge de AOW. Dat eiser, zoals hij stelt vanaf 1989 in Nederland woont, maakt dat niet anders.
11. De conclusie is dat het bestreden besluit in rechte stand houdt. Het beroep is ongegrond.
12. De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. Uitspraak
De Rechtbank Middelburg
verklaart het beroep ongegrond;
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, in tegenwoordigheid van W.J. Steenbergen, griffier, en op 3 december 2009 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen.
Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
Afschrift verzonden op: 3 december 2009