ECLI:NL:RBMID:2010:BM8649
Rechtbank Middelburg
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Uitleg echtscheidingsconvenant en verdeling pensioenrechten bij onvoorziene omstandigheden
Partijen zijn in gemeenschap van goederen gehuwd en zijn in 1987 gescheiden. Bij de echtscheidingsovereenkomst is overeengekomen dat [gedaagde] een bedrag aan [eiseres] zou betalen in twee termijnen vanwege overbedeling, waarbij betaling van het restant afhankelijk was van verkoop van de voormalige echtelijke woning.
[gedaagde] is na de echtscheiding opnieuw gehuwd en ontvangt een WAO-uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid. [eiseres] vordert betaling van het restant overbedelingsbedrag en stelt dat de woningverkoop niet langer bepalend is voor opeisbaarheid, mede vanwege het nieuwe huwelijk van [gedaagde]. Tevens vordert zij dat alle pensioenrechten die [gedaagde] tot het tijdstip van ontbinding van het huwelijk heeft opgebouwd, in de huwelijksgoederengemeenschap vallen en dat hij hierover informatie verstrekt.
De rechtbank overweegt dat de uitleg van het convenant moet geschieden aan de hand van de redelijkheid en billijkheid en de wederzijdse verwachtingen van partijen. De stelling van [eiseres] dat betaling reeds mogelijk is omdat de kinderen uit huis zijn, wordt onvoldoende onderbouwd. Ook het nieuwe huwelijk van [gedaagde] leidt niet tot opeisbaarheid van het bedrag omdat de woning nog steeds zijn eigendom is en geen geld beschikbaar is gekomen.
De rechtbank verklaart voor recht dat het restant van € 15.882,00 verschuldigd is maar dat dit pas opeisbaar wordt bij verkoop van de woning. Tevens wordt vastgesteld dat alle pensioenrechten die [gedaagde] tot het tijdstip van ontbinding heeft opgebouwd, in de huwelijksgoederengemeenschap vallen en dat de verdeling hiervan via een voorwaardelijke uitkering zal plaatsvinden, die aan het leven van beide ex-echtgenoten is verbonden.
[gedaagde] wordt veroordeeld binnen drie maanden schriftelijke inlichtingen te verstrekken over zijn pensioenrechten, met een dwangsom bij niet-naleving. De proceskosten worden ieder voor eigen rekening genomen.
Uitkomst: De rechtbank verklaart dat het restantbedrag pas opeisbaar wordt bij verkoop van de woning en dat pensioenrechten in de huwelijksgoederengemeenschap vallen, met een voorwaardelijke uitkering aan [eiseres].