ECLI:NL:RBMID:2011:BP3909
Rechtbank Middelburg
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid rechtbank bij geschil over advocatendeclaratie
In deze civiele procedure vordert eiseres betaling van openstaande advocatendeclaraties van gedaagden. Gedaagde sub 2 betwist de vordering en voert aan dat de declaraties ter begroting aan de Raad van Toezicht van de Orde van Advocaten hadden moeten worden voorgelegd, waardoor de rechtbank onbevoegd zou zijn.
De rechtbank onderzoekt of er daadwerkelijk een geschil bestaat over de hoogte van de declaratie zoals bedoeld in artikel 32 van Pro de Wet Tarieven in Burgerlijke Zaken. Uit de correspondentie blijkt dat gedaagde sub 2 de omvang van de vordering niet betwist, maar slechts opmerkingen maakt over de wijze van behandeling en mogelijke schade.
De rechtbank concludeert dat er geen geschil is over de hoogte van de declaraties en dat de procedure via de Raad van Toezicht niet vereist is. De exceptie van onbevoegdheid wordt daarom afgewezen. De beslissing over de proceskosten wordt aangehouden in afwachting van de hoofdzaak.
De zaak wordt verwezen naar een rolzitting voor verdere behandeling. Dit vonnis is gewezen door mr. E.K. van der Lende-Mulder Smit en op 19 januari 2011 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De rechtbank wijst de exceptie van onbevoegdheid af en verklaart zich bevoegd om van de vordering kennis te nemen.