ECLI:NL:RBMID:2011:BP5095

Rechtbank Middelburg

Datum uitspraak
26 januari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
69856 / HA ZA 09-541
Instantie
Rechtbank Middelburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 337 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tussentijds hoger beroep wegens ontbreken bijzondere omstandigheden

In deze civiele procedure tussen eiser en de provincie Zeeland heeft de provincie verzocht om verlof voor tussentijds hoger beroep tegen een tussenvonnis van 17 november 2010. De provincie stelde dat dit in het belang van partijen was, met name om onnodige kosten van deskundigen te voorkomen. Tevens voerde zij inhoudelijke gronden aan, waaronder betwisting van de delictuele aansprakelijkheid en het causaliteitsvraagstuk.

Eiser verzette zich tegen het verzoek en stelde dat tussentijds hoger beroep juist tot hogere kosten en vertraging leidt. Ook wees hij erop dat de provincie voor het eerst aansprakelijkheid betwist, wat volgens hem te laat is. De rechtbank overwoog dat het uitgangspunt van artikel 337 lid 2 Rv Pro is dat hoger beroep tegen tussenvonnissen gelijktijdig met het eindvonnis wordt ingesteld, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen.

De rechtbank vond de aangevoerde belangen onvoldoende zwaarwegend. De vermeende kostenbesparing wegen niet op tegen de nadelen van tussentijds hoger beroep, zeker omdat de provincie zelf stelde dat het in het belang van eiser zou zijn. Nieuwe argumenten van de provincie rechtvaardigen geen uitzondering, omdat de kans op een andere beslissing door het hof niet substantieel is. Het verzoek om verlof tot tussentijds hoger beroep werd daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om verlof tot tussentijds hoger beroep wordt afgewezen wegens ontbreken van bijzondere omstandigheden.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK MIDDELBURG
" \* MERGEFORMAT
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 69856 / HA ZA 09-541
Vonnis in de hoofdzaak van 26 januari 2011
in de zaak van
[eiser],
wonende te Terneuzen,
eiser,
advocaat: mr. L.J. van Langevelde te Bergen op Zoom (voorheen: mr. E.H.A. Schute),
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon
PROVINCIE ZEELAND,
gevestigd te Middelburg,
gedaagde,
advocaat: mr. U.T. Hoekstra te Middelburg (voorheen: mr. D.M. Looten).
Partijen zullen hierna [eiser] en de provincie worden genoemd.
De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 17 november 2010;
- de akte na tussenvonnis van de zijde van [eiser];
- de brief van mr. Hoekstra van 9 december 2010;
- de antwoord akte van de zijde van de provincie;
- de brief van mr. Van Langevelde van 17 januari 2011.
De verdere beoordeling
Bij voormelde brief van 9 december 2010 heeft de provincie de rechtbank verzocht om verlof om van het tussenvonnis van 17 november 2010 in hoger beroep te mogen komen. De provincie voert daartoe aan dat dit in het belang van partijen, speciaal [eiser], is. Op die manier kan worden vermeden dat achteraf onnodige kosten voor een of meer deskundigen worden gemaakt. De provincie betoogt voorts dat het tussenvonnis van 17 november 2010 niet in stand kan blijven en voert daarvoor de volgende gronden aan. De rechtbank heeft haar ten onrechte delictueel aansprakelijk gehouden, hoewel de provincie de grondslag daarvoor – voor zover door [eiser] gesteld – had betwist. De provincie heeft slechts aangeboden om schade te vergoeden op basis van het rapport van Troostwijk. Een poging om in der minne via een vaststellingsovereenkomst een geschil te regelen impliceert echter geen aanvaarding van aansprakelijkheid op delictuele grondslag en verplicht de provincie niet tot betaling van een door de rechtbank te begroten schade. De stelling dat na werkzaamheden in opdracht van de provincie schade is ontstaan, leidt niet automatisch tot aansprakelijkheid van de provincie. De rechtbank heeft ten onrechte het opgeworpen causaliteitsvraagstuk gepasseerd.
[eiser] verzet zich tegen toewijzing van het verzoek. Hij is van mening dat er geen gronden zijn om het verzoek te honoreren. Door tussentijds hoger beroep nemen de kosten juist toe en wordt het proces onnodig vertraagd. Voorts wijst [eiser] erop dat de provincie nu voor de eerste maal naar voren brengt dat nog niet vast staat dat zij aansprakelijk is voor de schade aan het pand van [eiser]. Dat is tardief en onbegrijpelijk. De vraag naar de causaliteit kan en dient volgens [eiser] eerst aan de orde te komen in het kader van het deskundigenbericht en leent zich er niet voor om nu in hoger beroep uitgekristalliseerd te worden. Tot slot ontkent [eiser] dat hij met de hoogte van het schadebedrag, zoals becijferd door Troostwijk, akkoord is gegaan. Van een vaststellingsovereenkomst is geen sprake.
De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge artikel 337 lid 2 Rv Pro geldt als uitgangspunt dat hoger beroep van tussenvonnissen slechts tegelijk met dat van het eindvonnis kan worden ingesteld. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken, als sprake is van bijzondere omstandigheden die een afwijking rechtvaardigen. De provincie heeft allereerst gewezen op het vermijden van onnodige kosten van (een) te benoemen deskundige(n). De rechtbank kent aan deze omstandigheid onvoldoende gewicht toe. Deze kosten wegen voor [eiser], voor wiens rekening ze in eerste instantie zullen komen, kennelijk niet op tegen de kosten van een tussentijds hoger beroep. Dat klemt temeer, nu de provincie in dit verband heeft gesteld dat een tussentijds hoger beroep speciaal in het belang van [eiser] is. Ten aanzien van de gronden van het hoger beroep constateert de rechtbank dat de provincie kennelijk nieuwe argumenten heeft die zij aan het hof wenst voor te leggen. Die enkele omstandigheid rechtvaardigt een uitzondering op de hoofdregel van artikel 337 lid 2 Rv Pro niet, zeker nu de rechtbank de kans dat het hof op basis van deze argumenten tot een andere beslissing komt niet bij voorbaat substantieel acht. Het verzoek om verlof voor het instellen van tussentijds hoger beroep zal daarom worden afgewezen.
Voor zover de provincie de rechtbank los van het voorgaande heeft verzocht om op het tussenvonnis van 17 november 2010 terug komen, ziet de rechtbank in hetgeen de provincie heeft aangevoerd geen aanleiding daartoe. De rechtbank overweegt, ten overvloede, dat [eiser] terecht heeft opgemerkt dat het causaliteitsvraagstuk in het kader van het deskundigenbericht aan de orde kan komen.
De beslissing
De rechtbank
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr.drs. M.L. Ruiter en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2011.