ECLI:NL:RBMID:2011:BW0656
Rechtbank Middelburg
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op dwaling, bedrog en misbruik bij beëindiging arbeidsovereenkomst en gezamenlijke bedrijfsopzet
De zaak betreft de beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen eiser en gedaagde per 1 oktober 2008, waarbij zij beoogden samen een bedrijf op te zetten voor vastgoedactiviteiten. Eiser vorderde vernietiging van de beëindigingsovereenkomst wegens dwaling, bedrog en misbruik van omstandigheden, en stelde dat gedaagden onrechtmatig hadden gehandeld door de gezamenlijke onderneming niet door te laten gaan en hem geen vergoeding te betalen voor werkzaamheden.
De rechtbank overweegt dat er geen bewijs is dat gedaagde 2 bij het sluiten van de beëindigingsovereenkomst wist of behoorde te weten dat de afspraken over gezamenlijke participatie en financiering niet zouden worden nagekomen. De stelling dat partijen uitgingen van een onjuiste veronderstelling over financiering faalt omdat de financieringsbehoefte een toekomstige omstandigheid betrof.
Het beroep op misbruik van omstandigheden faalt omdat de gestelde afhankelijkheidspositie van eiser niet voldoende is om van bijzondere omstandigheden te spreken. Ook het beroep op onrechtmatige daad wordt verworpen, mede omdat eiser ruime ervaring had en op de hoogte moest zijn van de risico's van ondernemerschap. De vordering tot betaling van loon op basis van een overeenkomst van opdracht wordt eveneens afgewezen.
De kantonrechter wijst de vorderingen af en veroordeelt eiser in de proceskosten. Het vonnis is gewezen door kantonrechter C. Kool en uitgesproken op 27 april 2011.
Uitkomst: De vorderingen van eiser worden afgewezen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten.