ECLI:NL:RBMID:2012:BX1461

Rechtbank Middelburg

Datum uitspraak
18 april 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/5466
Instantie
Rechtbank Middelburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Wet WOZArt. 22 Wet WOZAfdeling 8.2.6 AwbArt. 27d AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling WOZ-waarde woning nabij minicamping zonder waardedrukkend effect

De heffingsambtenaar van de gemeente Schouwen-Duiveland stelde de WOZ-waarde van een woning, gelegen aan een adres te [plaats X], vast op € 214.000 voor het belastingjaar 2011. Na bezwaar werd deze waarde verlaagd tot € 193.000. Belanghebbenden stelden dat de waarde € 164.000 zou moeten zijn vanwege onder meer geluidsoverlast van een nabijgelegen minicamping.

De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar voldoende bewijs heeft geleverd met een taxatierapport van november 2011, waarin vergelijkingsobjecten zijn gebruikt die qua type, bouwjaar en ligging vergelijkbaar zijn. De onderhoudstoestand van de woning is als slecht beoordeeld, wat ook in de waardering is verwerkt. De aanwezigheid van asbest in de schuur is onvoldoende onderbouwd door belanghebbenden om een extra waardedruk te rechtvaardigen.

Ten aanzien van de minicamping stelt de rechtbank vast dat deze niet permanent geopend is en dat een brede strook beplanting tussen de woning en de minicamping ligt. Hierdoor gaat er geen waardedrukkend effect uit van de minicamping voor een woning die geschikt is voor permanente bewoning. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.

Daarnaast merkt de rechtbank op dat zij niet bevoegd is om beslissingen over ambtshalve vermindering van de beschikking over het jaar 2010 te toetsen.

Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van € 193.000 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG
Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 11/5466
Uitspraakdatum: 18 april 2012
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen
de erven van [erflater],
belanghebbenden,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Schouwen-Duiveland,
de heffingsambtenaar.
De bestreden uitspraken op bezwaar
De uitspraken van de heffingsambtenaar van 12 september 2011 op het bezwaar van belanghebbenden tegen de beschikking waarbij de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres de woning] te [plaats X] (hierna: de woning), is gewaardeerd krachtens de Wet waardering onroerende zaken en de met die beschikking in één geschrift bekendgemaakte aanslag onroerende-zaakbelastingen 2011.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2012 te Middelburg.
Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens de heffingsambtenaar [gemachtigde].
De gemachtigde van belanghebbenden is, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen.
1. Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
2. Gronden
2.1. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking krachtens artikel 22 van Pro de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde van de woning, per waardepeildatum 1 januari 2010 (hierna: de waardepeildatum), vastgesteld voor het tijdvak 1 januari 2011 tot 1 januari 2012 op € 214.000. In het desbetreffende geschrift is ook de aanslag onroerende-zaakbelastingen 2011 bekend gemaakt. In de uitspraken op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de waarde verminderd tot € 193.000 en de aanslag dienovereenkomstig verminderd.
2.2. In geschil is de waarde van de woning op de waardepeildatum. Belanghebbenden bepleiten een waarde van € 164.000.
2.3. Krachtens artikel 17, eerste lid, van de Wet WOZ, wordt aan een onroerende zaak een waarde toegekend. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt deze waarde bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer, ofwel de prijs, die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald.
2.4. De heffingsambtenaar, op wie de bewijslast rust, heeft een taxatierapport overgelegd, opgemaakt op 14 november 2011 door [taxateur G], taxateur. In dit taxatierapport wordt de waarde van € 193.000 ondersteund door de opbrengst behaald bij verkoop van enkele met de woning vergeleken objecten: [vergelijkingsobject 1], [vergelijkingsobject 2], [vergelijkingsobject 3] en [vergelijkingsobject 4] (hierna: vergelijkingsobjecten). Het taxatierapport is voorzien van beeldmateriaal van zowel de woning als van de vergelijkingsobjecten. Tevens is het taxatierapport voorzien van een matrix.
2.5. De bewijslast inzake de juistheid van de aan de woning toegekende waarde ligt bij de heffingsambtenaar. Met het hiervoor vermelde taxatierapport heeft de taxateur aannemelijk gemaakt dat de woning op de waardepeildatum een waarde in het economische verkeer had van € 193.000. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de in het taxatierapport genoemde vergelijkingsobjecten kort vóór of kort na de waardepeildatum zijn verkocht en wat type, bouwjaar en ligging betreft voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De heffingsambtenaar heeft de onderhoudstoestand van de woning als ‘slecht’ aangemerkt. Dit komt ook tot uitdrukking in de prijs per kubieke meter. Dat aan de [vergelijkingsobject 4] een lagere prijs per kubieke meter is toegekend doet hier niet aan af, omdat rekening is gehouden met het beginsel van het afnemende grensnut, hetgeen inhoudt dat de prijs per kubieke meter van het hoofdgebouw afneemt naarmate de inhoud groter is. Tevens hebben belanghebbenden naar het oordeel van de rechtbank, tegenover de gemotiveerde betwisting door de heffingsambtenaar, niet aannemelijk gemaakt dat van de aanwezigheid van asbestplaten in het dak van de schuur, een nog grotere waardedrukkende invloed uitgaat dan waarmee de heffingsambtenaar al in de bezwaarfase rekening heeft gehouden.
2.6. Belanghebbenden beroepen zich er voorts op dat de geluidsoverlast van de nabijgelegen minicamping onvoldoende tot uitdrukking is gekomen bij de waardering van de woning. De heffingsambtenaar heeft bevestigd dat daarmee geen rekening is gehouden. De rechtbank is met belanghebbenden van oordeel dat de aanwezigheid van een minicamping op een naburig perceel in zijn algemeenheid wel waardeverminderend is voor recreatiewoningen. Het is dus begrijpelijk dat belanghebbenden, die de woning als recreatiewoning vooral in de zomermaanden gebruiken, stellen er overlast van te hebben. De woning is echter niet alleen bruikbaar als recreatiewoning, omdat ook permanente bewoning mogelijk is en de taxateur heeft de woning dan ook terecht als “gewone” woning gewaardeerd. Naar het oordeel van de rechtbank gaat er, uitgaande van permanente bewoning, geen waardedrukkend effect uit van de nabijheid van de minicamping nu die niet permanent geopend is en er tevens een brede strook beplanting ligt tussen de woning en de minicamping. Derhalve heeft de heffingsambtenaar naar het oordeel van de rechtbank terecht geen waardevermindering toegekend.
2.7. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Het beroep is ongegrond.
2.8. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
2.9. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat, voor zover belanghebbenden opkomen tegen de afwijzing van zijn verzoek om ambtshalve vermindering van de beschikking over het jaar 2010, de rechtbank niet bevoegd is een dergelijke beslissing te toetsen.
Deze uitspraak is gedaan op 18 april 2012 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van
mr. B.W. van Eeken-Liu, griffier.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 27 april 2012
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.