ECLI:NL:RBMID:2012:BZ3842

Rechtbank Middelburg

Datum uitspraak
18 december 2012
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11-1834
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:4 BWArtikel 1 Verordening rioolheffing 2010Artikel 3 Verordening rioolheffing 2010Artikel 27d AWRArtikel 27h AWR
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen rioolheffing verschuldigd voor IBA zonder zakelijk recht van opstal

Belanghebbende kocht in 2008 een woning waarop in 2006 een Individueel Behandelingssysteem Afvalwater (IBA) was aangelegd door de gemeente in overleg met de toenmalige eigenaar. Tussen de gemeente en de vorige eigenaar was een opstalovereenkomst gesloten waarin de gemeente een recht van opstal kreeg en eigenaar bleef van de IBA. Bij de aankoop van de woning werd deze overeenkomst niet overgedragen aan belanghebbende.

De rechtbank oordeelt dat door natrekking belanghebbende eigenaar is geworden van de IBA omdat er geen zakelijk recht van opstal is gevestigd op de grond ten behoeve van de gemeente. De opstalovereenkomst tussen gemeente en vorige eigenaar bindt belanghebbende niet. Hierdoor is de gemeente niet verplicht tot onderhoud van de IBA jegens belanghebbende.

De rechtbank stelt dat de IBA geen gemeentelijke voorziening is in eigendom, beheer of onderhoud en dat belanghebbende daarom geen rioolheffing verschuldigd is. De aanslag rioolheffing 2010 wordt vernietigd en de heffingsambtenaar wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak is gedaan op 18 december 2012 en kan binnen zes weken worden aangevochten.

Uitkomst: De aanslag rioolheffing wordt vernietigd omdat belanghebbende eigenaar is van de IBA en geen rioolheffing verschuldigd is.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG
Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 11/1834
Uitspraakdatum: 18 december 2012
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats],
belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Sluis,
de heffingsambtenaar.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van de inspecteur van 11 februari 2011 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem voor het jaar 2010 opgelegde aanslag rioolheffing.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2012 te Middelburg.
Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende en zijn echtgenote, [echtgenote], en namens de heffingsambtenaar, [gemachtigden].
1. Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar en de aanslag rioolheffing;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende van € 249,36;
- gelast de heffingsambtenaar aan belanghebbende het griffierecht van € 41 te vergoeden.
2. Gronden
2.1. De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 30 november 2010 aan belanghebbende een aanslag rioolheffing 2010 opgelegd van € 194,47. Het daartegen gemaakte bezwaar is door de heffingsambtenaar ongegrond verklaard.
2.2. In geschil is het antwoord op de vraag of de aanslag terecht is opgelegd. De hoogte van de aanslag is niet in geschil.
2.3. Artikel 1 van Pro de Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2010 (hierna: de Verordening rioolheffing) bepaalt:
“Deze verordening verstaat onder:
(…)
b. gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud van de gemeente;
(…)”
2.4. Artikel 3 van Pro de Verordening rioolheffing bepaalt:
“1. De belasting wordt geheven van de gebruiker van een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd.
2. Als gebruiker wordt aangemerkt:
a. degene die naar de omstandigheden beoordeeld het perceel al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt.
b. (…)”
2.5. Belanghebbende heeft de woning gekocht in 2008. Bij de woning is in 2006 door de gemeente, in overleg met de toenmalige eigenaar [vorige eigenaar], een zogenaamde IBA aangelegd: een individueel behandelingssysteem afvalwater. Tussen [vorige eigenaar] (in de overeenkomst aangeduid als grondeigenaar) en de gemeente is terzake een opstalovereenkomst gesloten waarin onder meer is opgenomen
- dat de grondeigenaar aan de gemeente een altijd durend, niet opzegbaar recht van opstal verleende op een strook van de grond waarop de IBA zou worden gerealiseerd;
- dat de gemeente van die strook te allen tijde gebruik kon maken voor werkzaamheden aan de IBA en zou zorgen voor aansluiting en onderhoud ervan;
- dat de IBA met aan- en toebehoren eigendom bleef van de gemeente;
- dat de grondeigenaar zich verplichtte de bepalingen van de overeenkomst op te nemen bij eventuele verkoop van de grond (kettingbeding).
2.6. Er is geen zakelijk recht van opstal ten behoeve van de gemeente gevestigd op de strook grond waarin de IBA ligt. In de leveringsakte van belanghebbende wordt over de onder 2.5 vermelde overeenkomst niet gerept. Tussen belanghebbende en de gemeente is geen overeenkomst tot stand gekomen over de eigendom en het beheer van de IBA.
2.7. Via de IBA wordt het afvalwater van belanghebbende geloosd op een (in het kader van de IBA aangelegde) vijver op het terrein van belanghebbende.
2.8. Belanghebbende meent geen rioolheffing verschuldigd te zijn omdat hij niet loost op het gemeentelijke rioleringsstelsel. Volgens de heffingsambtenaar is de aanslag terecht opgelegd omdat met de vorige bewoner is afgesproken dat de gemeente eigenaar is van de IBA en de gemeente verantwoordelijk is voor het onderhoud.
2.9. De rechtbank oordeelt als volgt:
Nu belanghebbende eigenaar is van de grond en ten aanzien van de IBA geen zakelijk recht is gevestigd, is belanghebbende door natrekking ook eigenaar van de op de grond aangelegde IBA (artikel 3:4 BW Pro). De overeenkomst tussen de gemeente en [vorige eigenaar] heeft uitsluitend rechtsgevolgen voor de bij die overeenkomst betrokken partijen en kan belanghebbende niet binden. Dat betekent ook dat de gemeente jegens belanghebbende geen verplichting heeft om de IBA te onderhouden. Daarvan uitgaande is de IBA geen voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater die in eigendom, in beheer of in onderhoud is bij de gemeente en is belanghebbende geen rioolrecht verschuldigd. Dat wordt niet anders door het gegeven dat de gemeente wel jegens [vorige eigenaar] verplicht is tot onderhoud van de IBA aangezien belanghebbende eigenaar is van de IBA en hij geen onderhoud van de IBA door de gemeente wenst.
2.10. Ter zitting heeft de heffingsambtenaar toegezegd dat de gemeente het kapotte deksel van de IBA zal vervangen en de storing zal verhelpen. De rechtbank gaat ervan uit dat hij deze toezegging gestand zal doen.
2.11. Gelet op het vorenstaande oordeelt de rechtbank dat de heffingsambtenaar ten onrechte een aanslag rioolrecht heeft opgelegd. Het beroep is gegrond.
2.12. De rechtbank ziet aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat de reiskostenvergoeding kan worden gesteld op € 37. Daarnaast moeten worden vergoed de verletkosten van belanghebbende gemaakt in verband met het bijwonen van de zitting van € 212,36. Het totaal wordt dus € 249,36.
Deze uitspraak is gedaan op 18 december 2012 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. L. Arts, griffier.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 27 december 2012
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR).
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch. Het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch behandelt het hoger beroep namens het gerechtshof te ’s-Gravenhage.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.