4.3Het oordeel van de rechtbank
Vrijspraak ten aanzien van feit 1
De rechtbank onderzoekt allereerst de vraag of wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat de tenlastegelegde geldbedragen en de Sunseeker Camarque, zoals de wet voorschrijft en in de tenlastelegging is opgenomen, door misdrijf verkregen respectievelijk van misdrijf afkomstig waren.
De rechtbank stelt voorop dat niettemin bewezen kan worden geacht dat onder een verdachte aangetroffen geld uit enig misdrijf afkomstig is, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het Openbaar Ministerie bewijs bij te brengen waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid (HR 13 oktober 2010, LJN BM0787, NJ 2010, 456).
De rechtbank stelt vast dat zich in het dossier geen bewijsmiddelen bevinden waardoor een rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf. Wel blijkt uit het dossier dat er grote contante geldstromen hebben plaatsgevonden, welke om een verklaring van verdachte vragen, maar deze heeft verdachte vanaf het begin af aan ook gegeven.
Ook ter terechtzitting heeft de verdediging een verklaring gegeven voor de aangetroffen gelden en aangevoerd dat het geld afkomstig is uit de eenmanszaak van verdachte en dat in zijn bedrijf grote contante geldstromen gebruikelijk zijn. De verdediging heeft ter onderbouwing van dit standpunt een brief van een accountant en afschriften uit de kasboeken overgelegd. Ook voor wat betreft de financiering van de Sunseeker Camarque heeft de verdediging een -met onder meer relevante bankafschriften- onderbouwde verklaring gegeven, inhoudende dat deze boot met gelden van verschillende familieleden is aangeschaft.
Op grond van deze met stukken onderbouwde verklaring is de rechtbank dan ook van oordeel dat niet gezegd kan worden dat het niet anders kan zijn dan dat het geld van enig misdrijf afkomstig is en/of de boot met geld afkomstig van enig misdrijf is gefinancierd.
Het Openbaar Ministerie heeft in dit verband aangevoerd dat het niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is, omdat verdachte in het verleden is veroordeeld voor het telen van hennep. Het Openbaar Ministerie gaat derhalve uit van inkomsten uit de hennepteelt dan wel hennephandel.
Het Openbaar Ministerie heeft evenwel geen concrete omstandigheden aangevoerd om deze stelling te onderbouwen. Het had naar het oordeel van de rechtbank op de weg van het Openbaar Ministerie gelegen om nader onderzoek te doen naar de herkomst van de contante gelden. Weliswaar heeft de officier van justitie ter terechtzitting verzocht dat onderzoek alsnog te laten plaatsvinden maar gezien het feit dat verdachte reeds eerder had aangegeven dat de betreffende gelden uit zijn onderneming kwamen had dat onderzoek eerder dienen plaats te vinden. Gezien het tijdsverloop acht de rechtbank daarvoor, in deze fase van de procedure, geen ruimte meer.
De rechtbank acht de gegeven verklaring voor de herkomst van het geld niet zo onwaarschijnlijk dat zij bij de vorming van het bewijsoordeel zonder meer terzijde behoort te worden gesteld.
Aldus kan niet met voldoende mate van zekerheid worden uitgesloten dat de gelden een legale herkomst hebben en een criminele herkomst niet als enige aanvaardbare verklaring van de waargenomen feiten en omstandigheden kan gelden, is naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Vrijspraak ten aanzien van feit 4
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met een ander of alleen een ploertendoder voorhanden heeft gehad. De rechtbank overweegt daartoe dat uit het dossier niet blijkt dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de ploertendoder en dat reeds daarom het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder feit 4 tenlastegelegde.
Het bewijs ten aanzien van feit 2
De rechtbank acht het onder feit 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen op grond van het navolgende.
Op 17 mei 2011 is de woning van verdachte en medeverdachte[medeverdachte] doorzocht. In de woning werd 81,36 gram hennep aangetroffen.
Uit nader onderzoek blijkt dat de aangetroffen plantendelen een positieve reactie gaven voor de stof THC, de werkzame stof in hennep en hasjiesj, vermeld op lijst II van de Opiumwet.
Verdachte heeft verklaard dat zij wist dat de hennep in haar woning lag.
Het bewijs ten aanzien van feit 3
De rechtbank acht het onder feit 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen op grond van het navolgende.
Op 17 mei 2011 is de woning van verdachte en medeverdachte[medeverdachte] aan de[adres] te[woonplaats] doorzocht.In de woning zijn onder meer twee busjes pepperspray en munitie aangetroffen.
Op 17 mei 2011 is ook de boot die op naam staat van verdachte, een Sunseeker Camargue 44 met registratienummer [nummer] in [woonplaats] doorzocht. In de boot is een busje pepperspray aangetroffen.
Uit onderzoek blijkt dat het munitie van categorie III betreft, te weten 30 patronen merk CCI kaliber .22 LR en 13 scherpe patronen merk Eley kaliber .22 LR en 28 patronen merk Umarex 9mm K.
Uit onderzoek blijkt voorts dat de busjes pepperspray bestemd zijn voor het treffen van personen met traanverwekkende en/of soortgelijke stoffen. Het zijn wapens in de zin van artikel 2 lid 1, categorie II onder 6 van de Wet Wapens en Munitie.
Verdachte heeft verklaard dat zij wist dat de pepperspray in haar woning en op de boot lag en dat zij en medeverdachte[medeverdachte] de pepperspray meenamen wanneer zij de hond uit gingen laten.