Verzoekers dienden een wrakingsverzoek in tegen de meervoudige kamer van de rechtbank Midden-Nederland, stellende dat het beginsel van equality of arms was geschonden doordat hen geen pleidooi werd toegestaan tijdens een comparitie. De verzoekers voerden aan dat zij onvoldoende gelegenheid hadden gekregen om hun juridische standpunten toe te lichten, mede door een tussenvonnis dat het overleggen van pleitnota’s verbood.
De meervoudige kamer verweerde zich met het standpunt dat de verzoekers voorafgaand aan de zitting alle stukken hadden kunnen overleggen en dat de zitting niet bedoeld was voor pleidooi, maar voor een comparitie van partijen. De akte van de wederpartij was vooraf toegezonden, terwijl de jurisprudentie van verzoekers pas ter zitting werd ingebracht, wat volgens de kamer niet toelaatbaar was.
De rechtbank overwoog dat het al dan niet toelaten van stukken een procesbeslissing is en dat alleen bij onbegrijpelijke beslissingen die duiden op vooringenomenheid wraking kan worden toegewezen. Dit was niet het geval. De rechtbank concludeerde dat er geen feiten of omstandigheden waren die een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid rechtvaardigden.
Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen en werd bepaald dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens het wrakingsverzoek.