Verzoekers hebben een schuldregeling aangeboden aan hun schuldeisers, waarbij zij zich gedurende 36 maanden zouden inspannen om een deel van hun schulden af te lossen. Hoewel vrijwel alle schuldeisers akkoord gingen, weigerde de belastingdienst instemming vanwege twijfels over de ondernemerscapaciteiten van verzoeker en het ontstaan van een aanzienlijke belastingschuld.
De rechtbank constateerde dat het verzoek onvoldoende gedocumenteerd was, met name doordat de brief waarin de schuldregeling werd aangeboden niet was overgelegd en de schulden van verzoeker en verzoekster niet gespecificeerd waren. Daarnaast was er een discrepantie tussen de schuldenlast in het verzoek en een hoger bedrag vermeld in een extern rapport, wat niet overtuigend werd verklaard.
Belangrijk was dat verzoeker niet aannemelijk had gemaakt dat hij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden, met name de te hoge voorlopige belastingteruggaven. De rechtbank achtte het daarom onwaarschijnlijk dat verzoeker en verzoekster zouden worden toegelaten tot de wettelijke schuldsanering. Gezien deze omstandigheden en de belangenafweging tussen schuldeisers, werd het verzoek tot vaststelling van het dwangakkoord afgewezen.
De rechtbank bepaalde dat de verzoeken tot toepassing van de schuldsaneringsregeling op een later moment zullen worden behandeld, waarbij verzoekers nog worden opgeroepen voor een mondelinge behandeling.