Art. 47 lid 1 Wetboek van StrafrechtArt. 51 lid 2 Wetboek van StrafrechtArt. 225 lid 1 Wetboek van StrafrechtArt. 225 lid 2 Wetboek van StrafrechtArtikel 16 Werkloosheidswet
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Heropening onderzoek naar valsheid in aanvraagformulieren WW-uitkering wegens onwerkbaar weer
De rechtbank Midden-Nederland behandelde een zaak waarin verdachte werd verdacht van het opdracht geven tot of feitelijk leiding geven aan het vervalsen van aanvraagformulieren voor WW-uitkeringen wegens onwerkbaar weer binnen Aannemersbedrijf. Verdachte zou valse formulieren hebben laten gebruiken om onterecht uitkeringen te verkrijgen.
De officier van justitie baseerde het bewijs onder meer op getuigenverklaringen en de aanwezigheid van meerdere formulieren met slechts één handtekening, terwijl meerdere werknemers zouden hebben getekend. De verdediging stelde dat verdachte niet op de hoogte was van de valse formulieren en geen feitelijke leiding had gegeven.
De rechtbank constateerde dat belangrijke getuigen, waaronder uitvoerders en een financial controller, niet waren gehoord. Ook de bedrijfsleider die in anonieme informatie werd genoemd, was niet gehoord. Daarom besloot de rechtbank het onderzoek te heropenen, de zaak te schorsen en de stukken aan de rechter-commissaris te geven voor het horen van deze getuigen.
De rechtbank benadrukte dat alleen op basis van een volledig en zorgvuldig onderzoek een weloverwogen oordeel kan worden geveld. De zaak wordt hervat op een nader te bepalen tijdstip met oproeping van verdachte en zijn raadsman.
Uitkomst: De rechtbank heropent het onderzoek en schorst de zaak voor aanvullend getuigenverhoor.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Afdeling strafrecht Zittingslocatie Utrecht
Parketnummer: 16/994008-13
Datum uitspraak: 10 april 2013
Vonnisvan de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak
gewezen in de zaak zaken tegen:
[verdachte]
geboren op [geboortedatum] te[geboorteplaats],
wonende te [postcode] [woonplaats], [adres]
Raadsvrouwe: mr. N. Smeets, advocaat te Utrecht.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 maart 2013.
De toepasselijke regelgeving in de tenlastegelegde periode.
De Werkloosheidswet hield, voor zover van belang, het volgende in:
Artikel 16
1.Werkloos is de werknemer die:
a.ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren, alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren; en
b.beschikbaar is om arbeid te aanvaarden.
(…)
Artikel 18
1.De werknemer, die werkloos is uitsluitend als gevolg van vorst, sneeuwval, hoog water of andere buitengewone natuurlijke omstandigheden heeft recht op uitkering voor de duur van de buitengewone natuurlijke omstandigheden.
(…)
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft bij brief van 17 februari 2010
betrokkenen geïnformeerd dat de CAO- bepalingen over loondoorbetaling die een beroep op artikel 18 WWPro verhinderden aldus zijn gewijzigd dat de werkgever bij onwerkbaar weer in de periode van 1 februari tot 1 april 2010 niet gehouden is het loon onverkort door te betalen. Werknemers in de bouwnijverheid die als gevolg van het onwerkbare weer niet kunnen werken, kunnen hierdoor in deze periode in aanmerking komen voor WW. De uitkeringen op grond van artikel 18 WWPro komen volledig voor rekening van het sectorfonds voor de bouwnijverheid. [1]
Werkgever en werknemer dienen een aanvraagformulier te ondertekenen dat bij het UWV ingeleverd kan worden. De werkgever vraagt daarmee voor de werknemer een WW-uitkering aan wegens onwerkbaar weer en doet opgave van gewerkte en niet-gewerkte uren en van de reden van een eventueel verzuim. De werknemer dient mee te ondertekenen om UWV toestemming te geven de uitkering aan de werkgever over te maken en om te verklaren dat hij/zij niet elders heeft gewerkt. [2]
De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven.
Van de dagvaarding is een kopie als bijlage aan dit vonnis gehecht. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte opdracht heeft gegeven tot of feitelijk leiding heeft gegeven aan
het vervalsen of vals opmaken van aanvraagformulieren voor een WW-uitkering wegens onwerkbaar weer door Aannemersbedrijf[bedrijf] en
opzettelijk gebruiken van die formulieren door Aannemersbedrijf[bedrijf].
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij onder meer op de verklaringen van mw. [A] die heeft verklaard dat [B] en [C], haar hadden gezegd dat in een overleg met de directie het gebruik van de regeling “WW wegens onwerkbaar weer” besproken was. Voor het overige baseert de officier van justitie zich op de in het dossier aanwezige formulieren “Aanvraag ww wegens onwerkbaar weer”, de diverse getuigen die hebben verklaard dat er door hen slechts één handtekening is gezet op het formulier, terwijl met betrekking tot die getuigen meerdere formulieren zijn toegezonden aan het UWV ter verkrijging van de uitkering.
De officier van justitie stelt dat verdachte [verdachte] van het gebruik van de regeling “ww wegens onwerkbaar weer” op de hoogte is geweest, nu door verschillende getuigen is verklaard dat het gebruik van de regeling in de directie besproken is, dat dit tijdens een directieoverleg met het hoofd P&O is gebeurd, en dat verdachte tegen een werknemers heeft gezegd dat als hij niet zou tekenen, er ontslagen zouden vallen. Voorts heeft de directeur van[bedrijf]. , de heer [D] verklaard dat dit soort zaken onder de verantwoordelijkheid van verdachte vallen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat verdachte van beide ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe aangevoerd, dat verdachte weliswaar titulair directeur van de onderneming was en daarom in algemene zin bevoegd en gehouden was om maatregelen te nemen binnen de onderneming, maar dat voor het tenlastegelegde feitelijk leidinggeven de enkele vaststelling van de positie van verdachte binnen het bedrijf onvoldoende is voor een bewezenverklaring van het feitelijk leidinggeven.
Daarvoor is ook nodig dat verdachte wetenschap heeft gehad van de verboden gedragingen binnen het bedrijf en dat verdachte tenminste bewust de aanmerkelijk kans moet hebben aanvaard dat valse formulieren werden gebruikt voor de aanvraag van ww-uitkeringen. Dat bewijs is niet aanwezig. Uit niets is gebleken dat verdachte enige wetenschap heeft gehad omtrent het gebruik van onjuiste aanvraagformulieren. Verdachte was zelfs niet eens op de hoogte van het feit dat er van de regeling “WW wegens onwerkbaar weer”gebruik werd gemaakt binnen het bedrijf.
Het dossier bevat geen enkele belastende verklaring tegen verdachte en hij is op geen enkele wijze betrokken geweest bij de totstandkoming van de aanvraagformulieren.
Gezien het vorenstaande is de verdediging van mening dat verdachte moet worden vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd.
Overweging
Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank gebleken dat binnen de onderneming Aannemingsbedrijf[bedrijf]. de volgende bedrijfsstructuur gold.[D] en[verdachte] vormden samen de directie van de onderneming.
[C] was bedrijfsleider en daarvoor hoofd van de afdeling P&O. [B] was hoofd P&O en daarvoor salarisadministrateur, welke functie ten tijde van de telastegelegde feiten werd uitgeoefend door mevr.[A].
[C] en [B] waren direct verantwoording verschuldigd aan de directie.
De salarisadministrateur, mevrouw [A], viel onder de financiële administratie, waarvoor de heer[E], financial controller, verantwoordelijk was.
De heer [E] nam ook deel aan overleggen met de directie.
[E] is nooit gehoord door de opsporingsdienst, noch als getuige, noch als mogelijke verdachte.
Met betrekking tot het gebruik van de regeling “WW wegens onwerkbaar weer” werden door de salarisadministrateur aanvraagformulieren ingevuld op basis van weekstaten en urenstaten. Deze formulieren moesten door de betreffende werknemers worden ondertekend. De formulieren werden meestal door de uitvoerders ter plekke aan deze werknemers overhandigd. In de stukken worden een aantal van deze uitvoerders met name genoemd te weten[F] (ook wel [naam 1] genoemd) en [G].
De rechtbank heeft geconstateerd dat deze personen ook niet door de opsporingsinstantie zijn gehoord.
De rechtbank heeft geconstateerd dat uit het proces-verbaal blijkt dat het onderzoek door de Sociale Informatie en Opsporings Dienst (SIOD) is gestart naar aanleiding van anonieme informatie. In die anonieme informatie wordt de naam van de bedrijfsleider, de heer [H], genoemd als de persoon die aanvraagformulieren voor de “vorst-WW” door de werknemers heet laten ondertekenen.
Uit de stukken is de rechtbank gebleken dat[H] niet door de SIOD is gehoord.
De rechtbank is van oordeel dat, om tot een gedegen en weloverwogen beslissing in deze zaak te kunnen komen,[E] en de hierboven genoemde uitvoerders,[F] en [G], alsnog gehoord dienen te worden.
Ook de bedrijfsleider die in de anonieme CIE-informatie is genoemd en door zo goed als alle betrokken werknemers wordt genoemd, de heer[H], dient alsnog te worden gehoord.
De rechtbank zal derhalve het onderzoek heropenen, vervolgens schorsen en de stukken in handen stellen van de rechter-commissaris, teneinde uitvoering te geven aan de beslissing van de rechtbank dat[E],[F] (ook wel[naam 1] genoemd), [G] en[H] alsnog dienen te worden gehoord.
DE BESLISSING
De rechtbank beslist als volgt:
Heropent het onderzoek.
Bepaalt dat het onderzoek wordt hervat tegen een nog nader te bepalen tijdstip, met bevel tot oproeping van verdachte en zijn raadsman tegen dat tijdstip.
Verwijst de zaak naar de rechter-commissaris teneinde als getuigen te horen:
1.
de heer[E],
2.
de heer [H]
3.
de heer[F] (ook wel [naam 1] genoemd)
4.
de heer [G].
Stelt de stukken in handen van de rechter-commissaris.
Dit vonnis is gewezen door mrs M.J. Grapperhaus, voorzitter, mrs J.P.W. Helmonds en A.M.M.E. Doekes-Beijnes, rechters, bijgestaan door H.J. Nieboer als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 april 2013.
De rechtbank heeft de voorkeur voor het horen van bovengenoemde getuigen door een gedelegeerd rechter-commissaris, die deel heeft uitgemaakt van de zittingscombinatie op 27 maart 2013. De rechtbank verzoekt de officier van justitie en de verdediging binnen 1 week na heden aan de griffier kenbaar te maken of daartegen wel of geen bezwaren bestaan.
BIJLAGE
1.
Aannemersbedrijf[bedrijf]., op één of meer tijdstip(pen), in of
omstreeks de periode van 1 februari 2010 tot en met 16 maart 2010, in de
gemeente Utrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één of
meer natuurlijk(e) perso(o)n(en), althans alleen, 46, althans één of meer,