De Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) verzocht de voorzitter van de Kamer van Toezicht een onderzoek in te stellen naar de mogelijke betrokkenheid van een oud-notaris bij fraude gepleegd door een inmiddels gefailleerd financieel adviesbureau. Het Bureau Financieel Toezicht (BFT) voerde dit onderzoek uit, dat ruim twee jaar duurde en resulteerde in een rapport met ernstige verwijten aan het adres van de oud-notaris.
De oud-notaris voerde verweren aan, waaronder overschrijding van de klachttermijn en ondeugdelijkheid van het BFT-rapport, dat volgens hem fundamentele procesrechten schond zoals hoor en wederhoor en het recht op een redelijke termijn. De Kamer oordeelde dat de klacht tijdig was ingediend, maar stelde vast dat het rapport van BFT diverse ernstige tekortkomingen vertoonde, zoals gebrek aan objectiviteit, onvoldoende betrokkenheid van de oud-notaris bij het onderzoek, onjuiste vraagstelling en het ontbreken van inzage in dossiers.
De Kamer concludeerde dat het rapport geen deugdelijke onderbouwing bood voor de verwijten en dat de oud-notaris hierdoor in een substantieel nadelige positie was geplaatst. Gezien het lange tijdsverloop en het belang van het ambt van notaris achtte de Kamer aanvullend onderzoek niet haalbaar binnen een redelijke termijn. Daarom werden de klachten en bedenkingen ongegrond verklaard en afgewezen.