Eiser is sinds 2008 als schoonmaakster werkzaam bij gedaagde en meldde zich in 2011 ziek. Na verlenging van de loondoorbetalingsperiode door het UWV vanwege onvoldoende re-integratie-inspanningen door gedaagde, vroeg eiser toestemming voor vakantie in de zomer van 2013. Gedaagde weigerde toestemming voor de volledige periode van vier weken, verwijzend naar mogelijke vertraging van het re-integratietraject en negatieve effecten op het opbouwen van werkritme en taalvaardigheid.
De kantonrechter oordeelt dat eiser geen schriftelijke aanvraag heeft ingediend, waardoor niet kan worden aangenomen dat de vakantie automatisch is vastgesteld. Wel is ter zitting gebleken dat gedaagde toestemming gaf voor twee weken vakantie, maar niet voor de gehele periode. De rechter weegt het belang van gedaagde bij een ononderbroken re-integratie af tegen het belang van eiser om haar vakantie op te nemen.
De rechter acht niet aannemelijk dat de volledige vakantieperiode het re-integratieproces onaanvaardbaar zou verstoren, mede omdat eiser slechts beperkt werkt en eerdere jaren ook toestemming kreeg voor een dergelijke vakantie. De vordering tot vervangende toestemming wordt gedeeltelijk toegewezen, waarbij gedaagde wordt bevolen om binnen 24 uur na vonnis eiser vakantie te laten opnemen en loon door te betalen. De proceskosten worden aan gedaagde opgelegd.