Op 30 juli 2013 heeft de rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in de strafzaak tegen verdachte, die werd verdacht van brandstichting en diefstal uit de woning van zijn toenmalige vriendin, de moeder van zijn kind. De rechtbank sprak verdachte vrij van brandstichting omdat het wettig en overtuigend bewijs daarvoor ontbrak. Wel werd bewezen verklaard dat verdachte in de periode van augustus 2012 tot februari 2013 diverse goederen, waaronder een Nintendo Wii, laptop en koffiezetapparaat, uit de woning heeft weggenomen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening.
De rechtbank oordeelde dat de verklaringen van verdachte over de herkomst van de goederen niet aannemelijk waren en dat de aangetroffen spullen duidelijk van de benadeelde waren. Verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest. De rechtbank hield rekening met zijn zwakbegaafdheid en eerdere onbestrafte status, maar vond een onvoorwaardelijke straf passend gezien de ernst van het feit en het vertrouwen dat verdachte had geschonden.
De in beslag genomen goederen werden teruggegeven aan de benadeelde, en de benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar schadevordering, die deels niet gerelateerd was aan de bewezen feiten. Wel werd een bedrag van €768 aan proceskosten toegewezen aan de benadeelde partij. De rechtbank baseerde haar beslissing op de artikelen 57 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.