Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Voorvragen
4.Waardering van het bewijs
5.De benadeelde partij
6.Beslissing
spreekt verdachte vrijvan het ten laste gelegde feit.
Rechtbank Midden-Nederland
Op 30 april 2011 werd verdachte aangehouden door politieambtenaren, waarbij hij zich met geweld verzette. De officier van justitie stelde dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan verzet tegen rechtmatige aanhouding. De verdediging voerde aan dat er geen sprake was van een rechtmatige aanhouding en onvoldoende bewijs bestond dat verdachte de handelingen had verricht.
De rechtbank oordeelde dat niet wettig en overtuigend was bewezen dat de politieambtenaren op dat moment in de rechtmatige uitoefening van hun functie handelden. Er was geen redelijk vermoeden van schuld dat een rechtmatige aanhouding rechtvaardigde. Bovendien was het toegepaste geweld mogelijk buitenproportioneel.
Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde feit. De vorderingen van de benadeelde partijen werden niet-ontvankelijk verklaard omdat verdachte was vrijgesproken. De rechtbank bepaalde dat deze vorderingen bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken omdat niet bewezen is dat de politieambtenaren rechtmatig handelden bij de aanhouding.