Op 6 oktober 2012 pleegden verdachte en mededaders openlijk in vereniging geweld tegen het slachtoffer in Hilversum, waarbij het slachtoffer terwijl hij op de grond lag werd geslagen en geschopt, wat leidde tot lichamelijk letsel. Verdachte werd vrijgesproken van het gebruik van een vuurwapen of boksbeugel vanwege onvoldoende bewijs.
De rechtbank oordeelde dat de verklaringen van het slachtoffer onvoldoende betrouwbaar waren en sloot deze uit als bewijs. Wel werden verklaringen van getuigen en medeverdachten als overtuigend beschouwd, die bevestigden dat verdachte en mededaders het slachtoffer bewust opwachtten en mishandelden.
Verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 dagen en een werkstraf van 100 uur, waarbij rekening werd gehouden met zijn eerdere veroordelingen en het belang dat hij aan het werk gaat. Tevens werd een schadevergoeding van €500 toegekend aan het slachtoffer, met een verplichting tot betaling aan de Staat als waarborg. De rechtbank wees het beroep op noodweer en noodweerexces af en verwierp de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke PIJ-maatregel.