ECLI:NL:RBMNE:2013:4984

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 oktober 2013
Publicatiedatum
17 oktober 2013
Zaaknummer
C/16/13/831 R
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 288 lid 1 FwArt. 295 lid 2 FwArt. 295 lid 3 FwArt. 320 lid 2 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing schuldsaneringsregeling ondanks toename schulden door huwelijk in gemeenschap van goederen

Verzoekster heeft een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling op grond van artikel 288 lid 1 Faillissementswet Pro. Haar schulden zijn toegenomen van circa €18.000 vóór het huwelijk naar ongeveer €104.000 door het in gemeenschap brengen van schulden van haar echtgenoot na hun huwelijk in wettelijke gemeenschap van goederen op 12 november 2012.

De rechtbank constateert dat doorgaans een toename van schulden door huwelijk binnen vijf jaar leidt tot het oordeel dat de schulden niet te goeder trouw zijn ontstaan. Echter, verzoekster heeft zich bij haar beslissing laten leiden door mededelingen van haar budgetbeheerder en re-integratiebegeleider, en gezien haar beperkte verstandelijke vermogens en financiële zelfredzaamheid acht de rechtbank het niet redelijk haar dit tegen te werpen.

De echtgenoot van verzoekster is niet toegelaten tot de regeling vanwege eerdere beëindiging wegens niet-naleving. De rechtbank wijst de toepassing van de schuldsaneringsregeling toe, benoemt een rechter-commissaris, verhoogt het vrij te laten bedrag conform wettelijke bepalingen en geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van post gericht aan verzoekster.

De uitspraak is gedaan door mr. M.H.F. van Vugt en is openbaar uitgesproken op 16 oktober 2013.

Uitkomst: Verzoekster wordt toegelaten tot de schuldsaneringsregeling ondanks toename van schulden door huwelijk in gemeenschap van goederen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/13/831 R
nummer verklaring: *
vonnis van 16 oktober 2013 op grond van artikel 288 lid 1 van Pro de Faillissementswet
( “toepassing schuldsanering”)

enkelvoudige kamer

[verzoekster]

wonende[adres]
[woonplaats],
verzoekster,
heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 9 oktober 2013.
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
Ten aanzien van verzoekster is voldaan aan het bepaalde in artikel 288 lid 1 van Pro de Faillissementswet. Van een grond voor afwijzing van het verzoek is niet gebleken.
De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Ook verzoeksters echtgenoot heeft een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling ingediend. Dat verzoek is echter afgewezen omdat de regeling al van maart 2004 tot augustus 2006 op hem van toepassing is geweest en deze regeling tussentijds werd beëindigd omdat verzoeksters echtgenoot niet aan zijn verplichtingen uit hoofde van de regeling voldeed.
De schulden van verzoekster bedragen in totaal ongeveer € 104.000,00. Die schulden zijn gemeenschapsschulden van verzoekster en haar echtgenoot, met wie verzoekster op 12 november 2012 in wettelijke (algehele) gemeenschap van goederen is gehuwd.
Ter zitting is gebleken dat verzoeksters schulden vóór het huwelijk “slechts” € 18.000,00 beliepen. Voor het grootste deel van de schulden is verzoekster derhalve eerst sinds en vanwege het huwelijk aansprakelijk.
Doorgaans zal het aangaan van een huwelijk waardoor de schuldenlast van één van de echtgenoten toeneemt binnen de vijf jaarstermijn bedoeld in artikel 288 lid 1 aanhef Pro en onderdeel b Faillissementswet leiden tot de conclusie dat die echtgenoot ten aanzien van het ontstaan van die schulden niet te goeder trouw is. Die toename kan immers door het maken van adequate huwelijkse voorwaarden voorafgaand aan het huwelijk worden voorkomen.
In dit geval zal de rechtbank het laten ontstaan van de (extra) schulden niet aan verzoekster tegenwerpen. Ter zitting en uit de overgelegde stukken is de rechtbank gebleken dat de verstandelijke vermogens van verzoekster en dientengevolge haar financiële zelfredzaamheid beperkt zijn. De rechtbank overweegt daartoe dat verzoekster ter zitting heeft opgemerkt dat zij uit mededelingen van haar re-integratiebegeleider heeft opgemaakt dat zij niet op huwelijkse voorwaarden kon trouwen, zij evenmin een geregistreerd partnerschap kon aangaan en dat zij van verdere begeleiding verstoken zou blijven als zij ongehuwd zou gaan samenwonen. Voorts leek het eerst aan het einde van de zitting tot verzoekster door te dringen dat haar echtgenoot bijna € 80.000,00 en niet € 45.000,00 (schulden uit zijn vorige huwelijk) in de gemeenschap heeft “ingebracht”. Verzoekster “leunde” ter zitting bovendien zwaar op haar budgetbeheerder van Vitras CMD. Deze gaf ter zitting te kennen “dat je als budgetbeheerder niet tussen twee mensen in kunt gaan staan als zij uit liefde willen trouwen” of woorden van gelijke strekking. Wat van die mededelingen en taakopvatting verder zij, duidelijk is dat verzoekster zich bij haar beslissing om in algehele gemeenschap van goederen te trouwen heeft laten leiden door genoemde mededelingen. Dat verzoekster deze mededelingen zwaarder heeft laten wegen dan de mededeling van een medewerkster van het budgetadviescentrum van de gemeente Veenendaal (BAC) aan haar echtgenoot dat het beter was als hij niet in algehele gemeenschap van goederen zou trouwen, acht de rechtbank, gelet op verzoeksters afhankelijke positie, voorstelbaar.
De rechtbank gaat ervan uit dat de bewindvoerder verzoekt voor de duur van de toepassing van de schuldsaneringsregeling een voorschot op het salaris toe te kennen.
Gelet op de artikelen 295 lid 3 en 320 lid 2 en lid 6 van de Faillissementswet.

Beslissing

De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoekster],
geboren op [1960] te [geboorteplaats],
wonende[adres], [woonplaats];
- benoemt tot rechter-commissaris mr. D.M. Staal,
en tot bewindvoerder [naam],
[adres], [woonplaats];
- verhoogt, vooralsnog, het bedrag bedoeld in artikel 295 lid 2 van Pro de Faillissementswet in die zin, dat buiten de boedel wordt gelaten een bedrag gelijk aan de beslagvrije voet bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, met dien verstande dat waar in dat artikel staat: "negentig" of "90", wordt gelezen: "95", of, indien de schuldenares inkomen uit arbeid verkrijgt, gedurende de periode(s) waarin zij dat inkomen verkrijgt: "100";
- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenares gerichte brieven en telegrammen.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.F. van Vugt en is in het openbaar uitgesproken op
16 oktober 2013.