Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 10 oktober 2013
- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling op 16 oktober 2013.
Rechtbank Midden-Nederland
In deze zaak diende de meervoudige kamer voor wrakingszaken een verzoek tot wraking van mr. F.G. van Arem te beoordelen. Het verzoek was gericht tegen zijn rol als rechter in de behandeling van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van een minderjarige.
Verzoeker stelde dat mr. Van Arem niet onpartijdig zou zijn omdat hij verzoeker eerder in het kader van de Wet Bijzondere Opneming in Psychiatrische Ziekenhuizen (BOPZ) gesloten had geplaatst. De rechtbank overwoog dat het enkele feit van die eerdere beslissing onvoldoende is om persoonlijke vooringenomenheid aan te nemen of de vrees voor een gebrek aan onpartijdigheid objectief te rechtvaardigen.
De rechtbank benadrukte de wettelijke en jurisprudentiële norm dat rechters worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij uitzonderlijke omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid opleveren. Omdat verzoeker geen andere feiten of omstandigheden had aangevoerd, wees de rechtbank het wrakingsverzoek af.
De behandeling van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing werd hervat in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen mr. Van Arem wordt afgewezen wegens gebrek aan zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid.