Partijen sloten in 2004 een geldleningovereenkomst waarbij WSS Vastgoed € 250.000 leende van eiser met een looptijd van 10 jaar en aflossing in vijf jaarlijkse termijnen vanaf vijf jaar na verstrekking. Tevens bestond een huurovereenkomst tussen partijen. In 2010 vorderde eiser ontbinding van de geldleningovereenkomst, welke in 2011 werd afgewezen maar WSS Vastgoed werd veroordeeld tot betaling van de eerste aflossingstermijn.
WSS Vastgoed stelde dat de geldlening onderdeel was van een pakketovereenkomst en dat geen aflossingsverplichting bestond, hetgeen de rechtbank niet volgde. Vast stond dat WSS Vastgoed verplicht was jaarlijks € 50.000 af te lossen vanaf vijf jaar voor het einde van de looptijd. WSS Vastgoed had de tweede en volgende termijnen niet betaald en verkeerde daardoor in verzuim. Het opschortingsrecht van WSS Vastgoed wegens vermeende huurachterstand werd afgewezen omdat deze achterstand onvoldoende was onderbouwd en niet opwoog tegen de aflossingsverplichting.
De rechtbank oordeelde dat WSS Vastgoed tekort was geschoten en in verzuim verkeerde, waardoor eiser bevoegd was de geldleningovereenkomst te ontbinden. De ontbinding leidt tot ongedaanmaking van de prestaties, waarbij WSS Vastgoed € 200.000 aan eiser moet terugbetalen binnen twee dagen na betekening, vermeerderd met wettelijke rente vanaf datum vonnis. De gevorderde rente over eerdere termijnen en buitengerechtelijke kosten werden afgewezen. WSS Vastgoed werd veroordeeld in de proceskosten.